Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


78 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ogen`

  1. beminnen als het licht van zijn ogen (=erg graag zien)
  2. daar geboren en getogen (=daar geboren en opgegroeid)
  3. daar zitten nogal wat haken en ogen aan (=er zijn meer problemen dan je op het eerste gezicht zou denken)
  4. de ene kraai pikt de andere de ogen niet uit (=ze benadelen elkaar niet)
  5. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  6. de ogen luiken (=sterven)
  7. de ogen openen (=doen inzien)
  8. de ogen uitsteken (=jaloers maken)
  9. de ogen verblinden (=blind maken voor de waarheid)
  10. de ogen voor iets sluiten (=oogluikend toelaten)
  11. de ogen zijn de spiegels der ziel (=in de ogen van een persoon herkent men het karakter)
  12. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  13. de vogel is gevlogen (=de dader is was al weg (of gevlucht))
  14. de voorsten doen wat de achtersten niet mogen (=wie eerst komt is in het voordeel)
  15. dertien ogen gooien (=onmogelijk veel geluk hebben)
  16. ellebogenwerk (=succes boeken door op slinkse wijze van anderen misbruik te maken)
  17. geen hand voor ogen zien (=zich in totale duisternis (of dichte mist) bevinden)
  18. geen naam mogen hebben (=niets te betekenen zijn)
  19. gewogen en te licht bevonden (=na onderzoek afgekeurd zijn)
  20. gezien mogen worden (=er goed uitzien)
  21. groen en geel voor de ogen worden (=duizelen en/of erg van schrikken)
  22. grote ogen opzetten (=erg verbaasd zijn)
  23. haken en ogen geven (=iets heeft veel moeilijkheden)
  24. het achter de ellebogen hebben (=achterbaks; zonder zijn zelfzuchtige bedoelingen te laten zien)
  25. het is niet iedereen gegeven ajuin met droge ogen te schillen (=niet iedereen doet het onaangename met de glimlach)
  26. het licht in de ogen niet gunnen (=niets gunnen, er niets van kunnen verdragen)
  27. hij heeft schelvisogen hij kijkt als een schelvis (=hij kijkt je lodderig, dom of onbetrouwbaar aan)
  28. hoge ogen gooien (=een goede kans maken op iets)
  29. iemand de ogen openen (=iemand inzicht geven in iets wat diegene nog niet doorhad)
  30. iemand de ogen uitsteken (=iemand jaloers maken door de aandacht te vestigen op iets wat men heeft, en wat de ander ontbreekt)
  31. iemand de ogen verblinden (=iemand door uiterlijke schijn misleiden)
  32. iemand een rad voor de ogen draaien (=iemand iets wijsmaken / iemand op gemene wijze bedriegen)
  33. iemand het licht in de ogen niet gunnen (=iemand absoluut niet kunnen verdragen)
  34. iemand in de ogen schijnen (=iemand hinderen)
  35. iemand in de ogen steken (=iemand ergeren)
  36. iemand met open ogen bedriegen (=iemand bedriegen terwijl hij erbij staat)
  37. iemand met schele ogen aankijken (=iemand afgunstig bekijken)
  38. iemand naar de ogen zien (=pas iets doen als de ander toestemming geeft)
  39. iemand naar de ogen zien (=trachten zijn wensen te raden)
  40. iemand onder vier ogen spreken (=praten met iemand zonder dat anderen erbij zijn)
  41. iemand zand in de ogen strooien (=iemand iets wijsmaken, iemand bedriegen)
  42. iets met argusogen bekijken (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden)
  43. iets met lede ogen aanzien (=iets met tegenzin zien gebeuren)
  44. iets niet met droge ogen kunnen aanzien (=letterlijk: gaan huilen/tranen bij het zien gebeuren van iets)
  45. in de ogen schijnen/steken (=hinderlijk zijn, ergeren)
  46. in ogenschouw nemen (=bekijken)
  47. je ogen uitkijken (=het prachtig vinden om iets te zien)
  48. met de moedermelk ingezogen hebben (=van jongs af zo geleerd hebben)
  49. met de ogen meten (=schatten)
  50. met de ogen verslinden (=heel erg graag zien)

37 betekenissen bevatten `ogen`

  1. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  2. iemand iets heten liegen (=beweren dat iemand gelogen heeft)
  3. dat gaat zo tussen neus en mond (=dat gebeurt in een verloren ogenblik)
  4. vreemde ogen dwingen (=de ogen van een vreemde heeft meer invloed op je dan van een bekende)
  5. mundus vult decipi (=de wereld wil bedrogen worden)
  6. voor paal/schut staan (=een blunder begaan voor de ogen van anderen (en schamen))
  7. op de schopstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  8. op de wip zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  9. op de wipstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  10. er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  11. iemand het zwijgen opleggen (=er met niemand over mogen praten en niemand iets mogen vertellen)
  12. naar de maan lopen (=het wel mogen vergeten / weg moeten gaan)
  13. het is van de gekke (=het zou niet mogen)
  14. voor de deur staan (=ieder ogenblik kunnen beginnen, komen)
  15. ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
  16. een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zich bijna nooit ergens mee bemoeit)
  17. iemands bloed wel kunnen drinken (=iemand niet mogen en daardoor alles doen om die persoon te hinderen)
  18. een kat in de zak kopen (=iets kopen zonder het gezien te hebben - bedrogen worden)
  19. de ogen zijn de spiegels der ziel (=in de ogen van een persoon herkent men het karakter)
  20. een streepje voor hebben (=meer mogen dan een ander, minder gauw straf krijgen)
  21. een oogje dichtdrukken/toeknijpen/luiken (=niet optreden tegen iets wat eigenlijk niet mag. Iets gedogen)
  22. ter elfder ure (=op het laatste ogenblik)
  23. op de valreep (=op het laatste ogenblik)
  24. met een schone lei beginnen (=opnieuw mogen beginnen, zonder dat misstappen uit het verleden nog zichtbaar zijn)
  25. tot de jaren des onderscheids komen (=oud genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
  26. aan de Turken overgeleverd zijn (=slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden)
  27. De één mag een paard stelen, de ander mag niet over het hek kijken. (=Sommigen mogen alles, anderen mogen niets)
  28. een woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  29. een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  30. zijn woorden op een goudschaaltje wegen (=uiterst weloverwogen spreken)
  31. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  32. rust roest (=wanneer je niets doet gaat je vermogen achteruit)
  33. aanzien doet gedenken (=wat men met eigen ogen gezien heeft, is gemakkelijker te onthouden)
  34. wel een kwastje mogen hebben (=wel eens geverfd mogen worden)
  35. voorbij de schout zijn deur mogen dragen (=wel gezien mogen worden)
  36. wel onder zijn zolen kunnen schrijven (=wel mogen vergeten)
  37. vogeltjes die zo vroeg zingen zijn voor de poes (=wie zo vroeg wil genieten komt bedrogen uit)

Het dialectenwoordenboek kent 53 spreekwoorden met `ogen`

  1. Wetters: eddepinksken (=heb je een ogenblijk)
  2. Kortenbergs: lak as eum (=op het ogenblik dat hij)
  3. Gelaens (Geleens): Kiek oet dien pupsje. (=Kijk uit je ogen.)
  4. Sint-Niklaas: spieren (=met half toegeknepen ogen naar iets kijken)
  5. Westerkwartiers: struusvogelpoletiek hanteer'n (=het gevaar niet onder ogen willen zien)
  6. Bilzers: kiek tegoej autzen koeter (=kijk goed uit je ogen !)
  7. Kinrooi: Ouge spraeken euveral dezelfdje taal! (=ogen spreken overal dezelfde taal!)
  8. Sint-Niklaas: op 't nipperken (=op het laatste ogenblik)
  9. Brabants: op den schupstoel zitten (=ieder ogenblik ontslag kunnen krijgen)
  10. Westfries: op 'n end (=op een gegeven ogenblik)
  11. Munsterbilzen - Minsters: e lief mèt zen ooge bènne doen (=de beste kus is niet die met de mond maar wel die met de ogen)
  12. Sint-Niklaas: mè geen ogen te zien (=nergens te zien zijn)
  13. Drents: 'k Heb vannacht gien wenk in de ogen had. (=Ik heb de hele nacht niet geslapen)
  14. Gronings: Doe most die de ogen oet de kop schoamen (=Jij moet je diep schamen)
  15. Huijbergs: kekt 'wok oew ogen uit! (=kijk uw ogen uit!)
  16. Arnhems: Doe je ogen eens los (=Doe je ogen eens open)
  17. Veurns: Gin oog'n enoeg èn voe ... (=Grote ogen opzetten)
  18. Waregems: 't piekt in d' ooë'n (=het prikkelt in de ogen)
  19. Veurns: z'n oog'n zein olles (=zijn ogen spraken boekdelen)
  20. Waarschoots: trekt oa blaffeture ope (=doe u ogen open)
  21. sinttruins: dot oer kuit oupe (=doe u ogen open)
  22. Zeeuws: z ei oohen as kerboenkels (=felle ogen)
  23. Veurns: Dek je mei je kloef'n (=Verdwijn uit m'n ogen)
  24. Iepers: e stoat te gloarie'ogen (=iets met grote ogen bekijken)
  25. Mestreechs: gebruuk dien ouge en oere (=gebruik je ogen en oren)
  26. Venloos: Kièk oèt dien döp (=Kijk uit je ogen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: doet zen koeter oëpe (=open je ogen)
  28. Leefdaals: zain plaffeteure valle toë (=zijn ogen vallen dicht)
  29. Brugs: j'eet ogen up zin gat (=hij merkt alles op)
  30. Tilburgs: oew ôogen öt oewe kòp kèèke (=de ogen uit je hoofd kijken)
  31. Munsterbilzen - Minsters: hae kos mich daud kieke (=met zijn ogen kon hij me wel doden)
  32. Sint-Niklaas: nor iets spieren (=met half gesloten ogen naar iets kijken)
  33. Mestreechs: mèt twie dobbelstein dertien oage goeje (=met twee dobbelstenen dertien ogen gooien)
  34. Epers: Gôat toch noa bedde, iej zitten doar mit zokker dòpogen te kieken (=ogen moeilijk openhouden door slaapje)
  35. Bilzers: ooge spraeke iëveral dezelfde taol (=ogen zijn de afstraling van de ziel)
  36. Zeeuws: achter de pette kiekn (=stil gebed waarbij de pet voor de ogen ging)
  37. Westerkwartiers: dat oogt hiel wat (=ogen - dat oogt heel wat)
  38. Twents: Wee ziene oogn nich lös döt, möt vaak de knip lös doon (=Wie z'n ogen niet openhoudt, moet vaak de portemonnee trekken)
  39. Sint-Niklaas: uit zijn ogen nie zien van de voak (=geweldige vaak hebben)
  40. Genneps: De ogen vör de kop hèbbe hange (=Erg vermoeid en slaperig zijn)
  41. Sint-Niklaas: zèn ogen zè groter as zènnen buik (=hij eet weer teveel)
  42. Sint-Niklaas: gè è kattestront in ô ogen zeker? (=zie je dat niet?)
  43. Munsterbilzen - Minsters: waste snaachs vénds,bringste smörges al trég (=hou je ogen goed open als het om vrouwen gaat)
  44. Liwwadders: dat figuur is noch te lui om uut 'e ogen te kieken (=hij is ongelofelijk lui)
  45. Westerkwartiers: ik goa eev'm een tukje doen (=ik ga even de ogen toeknijpen)
  46. Munsterbilzen - Minsters: ooge spraeke iëveral dezelfste taol (=in de ogen zie je de ziel van de mensen)
  47. Sint-Niklaas: nor iet spieren, nor iet lonken (=naar iets kijken met half dichtgeknepen ogen)
  48. Sint-Niklaas: 'kè geen ogen op minne rug zulle (=ik kan niet alles zien)
  49. Liwwadders: de skellen binne my fan 'e ogen fallen (=nou begrijp ik hoe dat (zaakje) in elkaar steekt)
  50. Bilzers: Haat ver daste trouws zen ooge goed oëpe, mer kniep ze ternoë wol es tau ! (=voor het huwelijk : ogen open, na het huwelijk : soms 1 oogje dicht !)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen