Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


40 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `slag`

  1. aan de slag gaan (=beginnen te werken, starten)
  2. als bij toverslag (=zeer snel, plotseling)
  3. als een donderslag bij heldere hemel (=een onverwachte gebeurtenis, die een grote schok teweeg brengt)
  4. armslag krijgen (=meer mogelijkheden krijgen)
  5. beslagen ten ijs komen (=goed voorbereid zijn)
  6. Beslagen ten ijs komen. (=Goed voorbereid zijn)
  7. bij schering en inslag gebeuren (=erg vaak gebeuren)
  8. dat is schering en inslag (=dat komt bijzonder vaak voor [onderdelen van een weefgetouw])
  9. dat zijn aambeien met slagroom (=dat zijn dingen die niets met elkaar van doen hebben)
  10. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  11. de slagpen uittrekken (=van zijn macht beroven)
  12. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  13. een slag om de arm houden (=niet direct alles vertellen of voorzichtig zijn om toekomstige problemen voor te zijn)
  14. een tegenslag (=een onverwacht nadelig feit of voorval)
  15. er komt moord en doodslag van (=het komt tot grote problemen)
  16. ergens een slag naar slaan (=raden)
  17. ergens slag van hebben (=iets handig kunnen doen)
  18. goed beslagen (=met de nodige kennis en ervaring)
  19. helemaal van slag zijn (=in de war zijn)
  20. het beste paard van stal wordt overgeslagen (=grappige uitspraak wanneer iemand overgeslagen wordt)
  21. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  22. in de aanslag brengen (=klaar maken)
  23. in het hoekje zitten waar de slagen vallen (=zich in een groep bevinden die altijd het moeilijk heeft of problemen krijgt)
  24. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  25. Met beslagen paarden op het ijs komen. (=Goed voorbereid zijn voor zijn taak)
  26. met blindheid geslagen zijn (=verblind zijn, volkomen gebrek hebben aan inzicht)
  27. met de Franse slag (=slordig, met weinig aandacht uitgevoerd)
  28. met stomheid geslagen (=plotseling geen woord meer kunnen zeggen)
  29. met vlag en wimpel slagen (=met een zeer goede beoordeling slagen)
  30. onbeslagen ten ijs komen (=niet voorbereid zijn)
  31. op slag (=onmiddellijk)
  32. uit de lijken geslagen (=totaal van zijn stuk gebracht)
  33. uit het veld geslagen zijn (=helemaal van streek zijn)
  34. uit zijn lood geslagen zijn (=verbaasd zijn, niet goed meer weten hoe het verder moet)
  35. veel omslag maken (=veel bijzonders doen)
  36. waarheid met de slag om de arm (=een waarheid die vele facetten kent)
  37. weinig armslag hebben (=weinig ruimte hebben om uit te breiden of weinig mogelijkheden hebben, meestal in geld uitgedrukt)
  38. zijn beslag krijgen (=definitief ten einde lopen , beslist worden)
  39. zijn slag slaan (=op het goede moment de kansen benutten, bijv. dingen kopen)
  40. zonder slag of stoot (=zonder het minste probleem)

39 betekenissen bevatten `slag`

  1. de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  2. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  3. waar een wil is is een weg (=als je iets echt wilt, dan zul je ook slagen /de weg vinden naar je doel)
  4. Oude paarden jaagt men aan de dijk. (=Als men de taak niet meer goed aankan, wordt men ontslagen)
  5. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, wordt men ontslagen)
  6. op de poot spelen (=bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen)
  7. op de been blijven (=blijven staan; niet ziek worden; niet verslagen worden)
  8. eind goed, al goed (=de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt)
  9. op zijn baadje krijgen (=een pak slagen krijgen)
  10. ongeluk komt zelden alleen (=een tegenslag wordt vaak gevolgd door nog meer problemen)
  11. op de schopstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  12. op de wip zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  13. op de wipstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  14. in de knoop zitten (=er niet meer wijs uitraken - van slag zijn)
  15. met de muts naar iets gooien (=ergens geen zorg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
  16. ruim zijn aandeel in 's werelds lief en leed gehad hebben (=genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
  17. het beste paard van stal wordt overgeslagen (=grappige uitspraak wanneer iemand overgeslagen wordt)
  18. het leven is net een krentenbol, met af en toe een hard stukje (=het leven is niet een en al geluk maar kent soms ook tegenslag)
  19. een goed zeeman wordt ook wel eens nat (=ieder kent zijn tegenslagen)
  20. ieder moet zijn eigen kruis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verwerken)
  21. een pechvogel (=iemand die steeds tegenslag heeft)
  22. wie veel eist krijgt veel. Wie te veel eist krijgt niets (=je kan door het te vragen veel bij mensen gedaan krijgen, maar als je onredelijk wordt zal je worden overgeslagen)
  23. iemand beest maken (=kaartspel : zorgen dat iemand geen enkele slag haalt)
  24. met vlag en wimpel slagen (=met een zeer goede beoordeling slagen)
  25. het in Keulen horen donderen (=met stomheid geslagen zijn)
  26. na regen komt zonneschijn (=na een periode van tegenslag, komt er een betere tijd)
  27. per couvert (=onder omslag)
  28. op de keien komen (=ontslagen worden)
  29. de schop krijgen (=ontslagen worden)
  30. de zak krijgen (=ontslagen worden)
  31. op straat staan/zitten (=ontslagen zijn - geen onderdak meer hebben)
  32. ze slaan een snoek (=roeiers die een slag met hun riem missen)
  33. de vuurproef doorstaan (=slagen in de moeilijke onderneming)
  34. zijn hand overspelen (=te veel eisen en daardoor niet slagen)
  35. zijn handen overspelen (=te veel eisen en daardoor niet slagen)
  36. in zak en as zitten (=terneergeslagen zijn (oorspronkelijk: Joodse rouw))
  37. in zulk water vangt men zulke vissen (=van dat slag volk mag men dat verwachten)
  38. in zulke vijvers vangt men zulke vissen (=van dat slag volk mag men dat verwachten)
  39. ongelukkig in het spel gelukkig in de liefde (=wie tegenslag heeft in het spel heeft misschien wel geluk in de liefde)

Het dialectenwoordenboek kent 94 spreekwoorden met `slag`

  1. Werviks: het reint pupestelen (=het slagregent)
  2. Machels (Zulte): denie (=slagerij Denis)
  3. Balens: fater krijgen (=slagen krijgen)
  4. Haags: Dat is het toetje op de slagroom. (=Dat is de slagroom op de taart.)
  5. Westerkwartiers: hij was slagveerdeg (=hij trad kordaat op)
  6. Waregems: slaggelings omverre voln (=achterover vallen)
  7. Balens: fater frijgen (=slagen krijgen)
  8. Westerkwartiers: hij slagt goeie road ien 'e wiend (=hij luistert niet naar raadgevers)
  9. Waaslands: hem een goeie dussing geven (=hem slagen geven)
  10. Westerkwartiers: die sloeg d'r 'n slagje uut (=die haalde er voordeel uit)
  11. Laag-Keppels: Ri blessa (=Naar de slager)
  12. Westerkwartiers: zien tong slagt dubbelt (=hij praat met dubbele tong)
  13. Westerkwartiers: hij slagt spiekers met kopp'n (=hij werkt erg doeltreffend)
  14. Vrasens: een mot geven (=een slag geven)
  15. Brugs: un dok up jen lucht (=een slag in je gezicht)
  16. Enschedees: ie beent heelmoal vaan't rabbat (=ik ben van slag)
  17. Liedekerks: Plesj op a kau'k (=slag in het gezicht)
  18. Drents: van 't rabat weden (=van slag zijn)
  19. Westfries: van de rel wezen (=van slag zijn)
  20. Bilzers: op zen pens hoë (slon); aofteire (=slagen geven)
  21. herenthouts: in maane goemmer slagen (=iets opeten)
  22. Wolvertem: iets schief slagen (=iets stelen)
  23. Waregems: te reke (vb. drie slagen) (=kort na elkaar (vb. drie slagen))
  24. Wetters: ne lap in au wezen (=een slag in uw gezicht)
  25. Veurns: E sleuver doeën (=Een slag slaan)
  26. Brugs: trek up je mulle (=slag in je gezicht)
  27. Mols: de kluts kwijt zijn (=van slag zijn)
  28. Bargoens: een klapper maken (=je slag slaan in de handel)
  29. Drents: in de toezel weden (=van slag zijn)
  30. Antwerps: Een peer oep oewen appel (=Een slag op het hoofd krijgen)
  31. Vilvoords: 'k geef a een mot (=ik geef u een vuist(slag))
  32. Geels: ik doen maan klak af (=alle 13 slagen halen)
  33. Herentals: iejene een smeir oep zen bakkes geven (=iemand op zn gezicht slagen)
  34. Mechels (BE): nen djoef oep a muille (=een slag in u gezicht)
  35. Oudenbosch: ijwaar van zunne melluk (=hij was / raakte van slag)
  36. Brakels: pirre op ou muile (=slag in het gezicht)
  37. Dilbeeks: zan plaan trekke (=zich uit de slag trekken)
  38. Munsterbilzen - Minsters: hae zètter zen taan èn (=de slager scherpt de messen)
  39. Sint-Niklaas: een muilpjeir krijgen (=een slag in het gezicht krijgen)
  40. Venloos: zeej poetst neet in de heuk (=zij poetst met de franse slag)
  41. Munsterbilzen - Minsters: dae hèt zene kop goed gestaute (=die heeft een slag van de hamer gehad)
  42. Munsterbilzen - Minsters: nen toek on de kop krijge (=een slag aan het hoofd krijgen)
  43. Munsterbilzen - Minsters: zèttem n kermèl op ze bakkes (=geef hem een slag op zijn gezicht)
  44. Westerkwartiers: ze waar'n heul'ndaal van 'e wies (=ze waren helemaal van slag)
  45. Kortrijks: jis zn slag of (=hij is moe...)
  46. ternats: een toefeling , en rammeling ,motten rond a oere (=een pak slagen krijgen)
  47. houthulst: De buk is vet (=Hij heeft financieël een goede slag geslegen)
  48. Hulshouts: e' radaas teje z'n snep (=Een slag tegen het hoofd)
  49. Brugs: E dok ip je muule. (=Een slag op je mond.)
  50. tervurens: nen toek of koek op aa bakkes (=een slag op uw gezicht)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen