Spreekwoorden met `prek`

Zoek

12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `prek`

  1. de kan aanspreken (=drinken)
  2. de prins spreken (=dronken zijn)
  3. er is een tijd van spreken en er is een tijd van zwijgen. (=soms is het beter om niets te zeggen)
  4. er niet van kunnen meespreken (=er niets over weten)
  5. er zijn altijd meer zwijgers dan sprekers (=lang niet iedereen komt altijd voor zijn mening uit)
  6. geen spreker die een zwijger verbetert. (=als je niets zegt zeg je niets verkeerds)
  7. iemand onder vier ogen spreken (=praten met iemand zonder dat anderen erbij zijn)
  8. iemand spreken door het oor van een turfmand (=iemand heimelijk spreken, zodat niemand anders het hoort)
  9. kinderen en dronkaards spreken de waarheid (=ze zeggen wat ze vinden, ze zijn ongeremd)
  10. voor de ganzen preken (=aan dovemans oren zeggen)
  11. voor de vuist weg (spreken) (=zonder voorbereiden iets moeten vertellen)
  12. voor dovemans oren spreken (=spreken tegen personen die niet willen horen)

51 betekenissen bevatten `prek`

  1. de kat de bel aanbinden (=als eerste een begin maken aan iets moeilijks (een lastige klus of een ingewikkeld gesprek))
  2. van wal steken (=beginnen met spreken, beginnen met een verhaal)
  3. dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
  4. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  5. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  6. een Babylonische spraakverwarring (=door elkaar spreken zonder naar elkaar te luisteren en elkaar niet verstaan)
  7. de derde man brengt de spraak aan (=drie hebben gemakkelijker een gesprek dan twee)
  8. man en paard noemen. (=duidelijke taal spreken)
  9. een oorblazer (=een kwaadspreker)
  10. schone appels zijn ook wel zuur. (=een mooie vrouw is niet vanzelfsprekend een goede echtgenote)
  11. een speldje bij iets steken (=een onderwerp niet verder uitdiepen, van gespreksonderwerp veranderen)
  12. een schot voor de boeg (=een uitspraak of vraag als eerste aanzet tot een gesprek of discussie (eigenlijk: een waarschuwingsschot))
  13. het ijs breken / het ijs is gebroken (=een vriendelijk gesprek op gang brengen na een kil begin)
  14. je woorden kauwen (=eerst nadenken en dan pas spreken)
  15. er geen woorden aan vuilmaken (=er niets eens over spreken)
  16. geluk en glas breekt even ras. (=geluk is niet vanzelfsprekend)
  17. een goed mondstuk hebben (=goed kunnen spreken)
  18. over de tong gaan (=het onderwerp van gesprek zijn)
  19. iemand aanschieten (=iemand aanspreken)
  20. iemand spreken door het oor van een turfmand (=iemand heimelijk spreken, zodat niemand anders het hoort)
  21. iemand een hart onder de gordel/riem steken (=iemand moed inspreken)
  22. iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
  23. er geen speld tussen kunnen krijgen (=iets klopt precies, geen gelegenheid krijgen in een gesprek ertussen te komen)
  24. iets met de mantel der liefde bedekken (=iets niet met anderen bespreken maar stilzwijgen en accepteren)
  25. een waarheid als een koe (=iets totaal vanzelfsprekends)
  26. het woord hebben (=in een gesprek aan beurt zijn)
  27. met twee monden praten (=jezelf tegenspreken in verschillende situaties, niet eerlijk zijn)
  28. te woord staan (=luisteren naar en bereid zijn te spreken met)
  29. je licht niet onder de korenmaat zetten (=meespreken, je mening geven en laten merken dat je er iets van weet)
  30. over de doden niets dan goeds (=men ziet kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood)
  31. het op een akkoordje gooien (=met elkaar afspreken iets op een bepaalde manier aan te pakken)
  32. er een vouwtje bij leggen (=niet meer over spreken)
  33. je woorden inslikken (=niet uitspreken)
  34. iets te verhakstukken hebben (=nog iets met iemand te bespreken hebben, nog iets te doen hebben)
  35. een liedje van verlangen zingen (=op allerlei manieren een wens uitspreken)
  36. op je stokpaardje zitten (=over je lievelingsthema spreken)
  37. de vuile was buiten hangen (=over onaangename zaken spreken met buitenstaanders)
  38. het woord voeren (=spreken (als afgevaardigde door anderen))
  39. als een blinde over de kleuren oordelen (=spreken alsof men een kenner is, over iets waar men niets van weet)
  40. een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  41. een woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  42. een tere snaar aanroeren (=spreken over iets waar men beter niet over had gesproken)
  43. voor dovemans oren spreken (=spreken tegen personen die niet willen horen)
  44. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  45. je woorden op een goudschaaltje wegen (=uiterst weloverwogen spreken)
  46. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  47. de mond roeren (=van zich laten horen, spreken)
  48. iemand de woorden uit de mond halen (=voor een ander spreken)
  49. iets ter tafel brengen (=voorstellen om iets te bespreken)
  50. opzitten en pootjes geven (=zich onderwerpen aan een verplicht gesprek)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen