Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `trap`

  1. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  2. een open deur intrappen (=iets doen wat niet nodig is of iets wat al gezegd of gedaan is nog een keer doen)
  3. gauw op de teentjes getrapt zijn (=erg gauw boos en beledigd zijn)
  4. iemand op zijn zeer trappen (=ergens over praten wat door iemand als erg onplezierig ervaren wordt)
  5. op heterdaad betrappen (=betrappen tijdens de misdaad)
  6. op iemands tenen trappen (=iemand beledigen)
  7. op zijn tenen getrapt zijn (=beledigd zijn)
  8. zich op zijn pik getrapt voelen (=zich zwaar vernederd voelen)

5 betekenissen bevatten `trap`

  1. op heterdaad betrappen (=betrappen tijdens de misdaad)
  2. in de val lopen (=betrapt worden)
  3. tegen de lamp lopen (=betrapt/gesnapt worden)
  4. er gloeiend bij zijn (=op heterdaad betrapt zijn)
  5. er in stinken (=te grazen genomen worden, er in trappen)

Het dialectenwoordenboek kent 49 spreekwoorden met `trap`

  1. Evergems: mij'n pittal es afgebroaken (=mijn trapper is stuk)
  2. Sallands: Wie trapp'n an (=Wij gaan op weg)
  3. Lommels: ge kunt me klowte kussen (=ik heb er genoeg van man, trapt het af man)
  4. Nuths: He.e schtuut tich vuur de knoke. (=Hij trapt van zich.)
  5. Bilzers: bolletem aof--trappet aof (=ga weg !)
  6. Munsterbilzen - Minsters: trappet em aof ! (=soddermieter op !)
  7. Kampers: we trapp'n um an (=we gaan weg)
  8. Bilzers: n graute miële draaë (=een grote versnelling trappen)
  9. Bilzers: tiëgenet kapelleke pisse (=tegen zere benen trappen)
  10. Opglabbeeks: stank doa neet te hippetippe (=sta daar niet zo opgewonden te trappelen)
  11. Erps: immant tergen (=iemand op zijn hart trappen)
  12. Westerkwartiers: die is snel op zien toon'n trapt (=die is licht geraakt)
  13. Sint-Niklaas: doar zit een oar in de boter; doar zitte kat in dorlozjie; doar ange ze in de trapees (=daar was er ruzie)
  14. Sint-Niklaas: dor zit een kat in dorlozjie; ze moaken ambras; zangen in de trapees (=ze maken ruzie)
  15. Oudenbosch: d n duvel op z ne steert trappe (=onheil afroepen)
  16. Zeeuws: ie is op zn vleke e trapt (=hij is beledigd)
  17. Zeeuws: un kwartje ai op je broek trapt! (=te korte broek)
  18. Bonheidens: hèt trappe me de velo (=snel fietsen)
  19. Kampers: buug trappen (=sterkte van ijs proberen)
  20. Oudenbosch: agge over d n duvel praot traptum op z ne steert (=binnenkomend iemand over wie men net aan het praten was)
  21. Bilzers: loop aon; gank klitse bakke (=trap het af)
  22. Waregems: tert het moar oof (=trap het maar af)
  23. Munsterbilzen - Minsters: onner zen fiaul stampe (='n flinke trap geven)
  24. Roois (Sint-Oedenrode): En gij geleuft dè? (=trap jij daar in?)
  25. Deinzes: Ie viel mee z'n kliek'n en z'n klakk'n van den trap (=Hij donderde van de trap)
  26. West-Vlaams: den trap doen (=prostitueren)
  27. Lebbeeks: trap: Boll'n 't af! trap et af! (=Ga weg!)
  28. Brugs: utwien un schip oender z'n kloaten geejven (=iemand een trap geven)
  29. Waregems: 'n murre, 'n kèze (=harde trap op een bal)
  30. Evergems: 'k terte toch wel in n'n kiekenstront (=ik trap in een kippenstront)
  31. Bilzers: dat pak bij mich geen verf (=daar trap ik niet in)
  32. Aalsters: ne schip in zen kloeiten geiven / ne schip onder zen vioel geiven (=iemand een trap geven)
  33. Leids: ik teer je netten in met een bledder (=ik trap je ramen in met een voetbal)
  34. Vlijtingens: iemet ene stamp onder zen prij gève (=iemand een trap onder zijn gat geven)
  35. Ossendrechts: ik trap 't af (=ik stop ermee)
  36. Waregems: 'k goa dn ne wiep tee'n zijn kloôtn geevn (=ik ga hem een trap in zijn kont geven)
  37. Neerpelts: ouwen oewtlèg is goe, mè ouwe poejer dugt nie! (=Goed geprobeerd, maar ik trap er niet in.)
  38. Laag-Keppels: trap 'm maar an (=Laten we fietsen)
  39. Twents: wie trap em an (=we gaan weg)
  40. Buggenhouts: iene ne stamp tegen zeine inktpot geven dat'n al schreivd voits leupt (=iemand een trap tegen zijn achterste geven)
  41. Steins: Bèsse van de trap aaf gevalle ?? (=opmerking aan iemand die net naar de kapper is geweest (3))
  42. Sint-Niklaas: wè èn e spenderken (=wij hebben geen kelder maar wel een afgesloten ruimte (met deur) onder de trap)
  43. Oudenbosch: zijde van de trap gevalle ? (=wat heb je je haar kort laten knippen)
  44. Diesters: Oep ze bakkes (ze gezicht;zenne smikkel ) gegoan, oep ze gat (zen achterste ) gevalle;eutgeschove; van den trap dondere (=gevallen)
  45. Gents: ge moet moar kome, 't schofke zal opzite in den trap zal afgezoagd zain (=je bent niet welkom)
  46. Westerkwartiers: as je 't over de duvel hemm'n, trap je 'm op 'e steert (=als je 't over iemand hebt komt hij net binnen)
  47. Rotterdams: zo ga je muil of bek niet verder ope. of ben je van de trap gepleurt. (=een hoge prijs voor iets vragen)
  48. Oudenbosch: kheppum daor altijd wete woo-ne (Kiske Raoijmaokers hoek St.Bernaertsstr./St.Annastraat zijgang huis trap naar boven atelier 1948)t (=ik weet nog waar hij woonde)
  49. Haags: Ik breek je allebé je potûh, Ik trap je darme op een hoap, ik zuig je een aug uit, kruip in je reet en bét een stuk uit je hagt. (=Jij bent nog niet jarig)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen