Spreekwoorden met `nor`

Zoek

9 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `nor`

  1. boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  2. dat zit wel snor (=dat komt wel goed)
  3. een knorhaan pikken (=een dutje doen)
  4. een snor aan hebben (=lichtjes dronken zijn)
  5. honoris causa (=eershalve) (Latijn)
  6. je snor drukken (=afwezig blijven / zijn werk niet doen)
  7. salvis titulis et honoribus (=zonder vermelding van eretitels) (Latijn)
  8. salvo honore (=met behoud van zijn eer) (Latijn)
  9. salvo honore et titulo (=met behoud van zijn eer en zijn titel) (Latijn)

13 betekenissen bevatten `nor`

  1. doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. (=blijf vooral normaal doen)
  2. niet door de beugel kunnen (=de norm overschrijden van wat aanvaardbaar of behoorlijk is)
  3. een vriendelijk gezicht brengt overal licht (=een vrolijk persoon weet vaak meer te bereiken dan een nors persoon)
  4. je een hoedje schrikken (=enorm schrikken)
  5. de haren uit het hoofd trekken (=enorm veel spijt hebben)
  6. duizend doden sterven (=enorme angsten uitstaan)
  7. het is een Spaans bordeel. (=het is een chaotische wanorde)
  8. de omgekeerde wereld (=het tegenovergestelde van wat normaal en logisch is)
  9. je kan het dak op (=jouw wens wordt niet gehonoreerd)
  10. achter de schermen kijken (=kijken waar men normaal niet kan of mag kijken)
  11. uit je doen zijn (=niet in je normale toestand zijn)
  12. met kunst- en vliegwerk (=niet volgens de normale gang van zaken)
  13. de rollen omkeren (=wat de een normaal doet doet de ander nu en andersom)

50 dialectgezegden bevatten `nor`

  1. 'k gon nor mennen tram (=ik ga naar bed) (Antwerps)
  2. 'n orke nor zèn vorken emmen (=karakter van zijn vader hebben) (Meers)
  3. 't es nor de vontjes (=onherroepelijk verloren zijn, naar de bliksem, om zeep zijn) (Meers)
  4. ‘t was langs de veurdeur binnen en langst d’achterdeur verrom nor buit'n (=zeer kort bezoek) (Meers)
  5. ' t is nor de kloûten (=het is mislukt) (Sint-Niklaas)
  6. a go nor de tvijfteg (=hij nadert de leeftijd van 50 jaar) (Meers)
  7. a kanner nor floite (=hij mag het vergeten) (Antwerps)
  8. a oeërt nor zè voeër (=hij aardt naar zijn vader) (Meers)
  9. a stinkt nor de bokken (=erg stinken) (Meers)
  10. achter d'aug nor ’t skool goeën (=haagschool houden, spijbelen) (Meers)
  11. As ge nie goewd nor de mister loistert, dan kriede un draoi um oew orre (=Als je niet goed naar de meester luistert krijg je een draai om je oren) (Liessents)
  12. As ge van Gimmert nor Nuene rijdt, dan komde langs dn brouwer (=Als je van Gemert naar Nuenen rijdt, dan kom je langs Bavaria) (Liessents)
  13. aske liegt, gouje nor d’élle (=wie liegt gaat naar de hel) (Meers)
  14. Bidde, pisse en nòr bed! (=Vlug, en nu naar bed!) (Helenaveens)
  15. da smokt nôr den trog om nog; t is om ô duimen en vingers af te lekken ( (=dat is heel lekker) (Sint-Niklaas)
  16. den boer ging nor uis en de stroatjongens kwammun boogoarden (bunderen) (=de boer ging naar huis en de straatjongens kwamen fruit stelen) (Sint-Niklaas)
  17. der mè zèn moesj nor sloeën (=raden, eender wat antzoorden) (Meers)
  18. Dn dieje dor die hi ne neije waoge en dor stottie al dn hullen dag nor te kieke, zu gruts dettie is (=Hij daar heeft een nieuwe auto en daar staat hij al de hele dag naar te kijken, zo trots als hij is) (Liessents)
  19. dur nor sloagen gelèk nen blengden nor een ei (=er maar op los raden) (Sint-Niklaas)
  20. een bieëst verkuëpen met ’t oeër nor buien (=een beest verkopen met het haar naar buiten alle risico’s zijn voor de koper) (Meers)
  21. een orken nor zé vorken (=een aardje naar zijn vaartje) (Meers)
  22. ei eet een orken nor zij vorken (=hij heeft het karakter van zijn vader) (Erps)
  23. ei eet er deugd van; zèn oûgen drjaan nor 't hol van zè gat (=je ziet dat hij het prettig vindt....) (Sint-Niklaas)
  24. ei is al nor zènne nest (=hij is al naar bed (gemeenzaam) ) (Sint-Niklaas)
  25. èlleken dag hèrs èn geens nòr Gôol (=iedere dag heen en weer naar Goirle) (Tilburgs)
  26. èn naa as de wiedewirgaoj nòr boove. (=en nu zo snel als mogelijk boven naar bed.) (Tilburgs)
  27. èn zonder toelaog nòr bèd! (=en met droog brood naar bed!) (Tilburgs)
  28. er nor sloan gullek 'nen blenden nor een ei (=zonder overleg of nadenken iets raden, antwoorden) (Sint-Niklaas)
  29. ètte dujst goa nor Blujst, der ès ee oonse en ij it Fideelke èn ij piest van ier tot iejn ou keelke (=dorstige kinderen sussen (mits geen drank vooradig of te duur) ) (Brakels)
  30. gao de meej kèèke nòr diejen örgel. (=ga je mee naar dat orgel kijken.) (Tilburgs)
  31. ge zoot ter mee gin tènge wiln nor pakken (=je zou ze niet willen benaderen) (Brakels)
  32. go is nor elle moeke, ze hee viskes gebakken in de koulschup (=tegen een kind dat men wil wegsturen) (Ransts)
  33. Gò mar gauw nor zuster Cristoofra! (=Vlug met je verwonding naar de ziekenzuster in 't klooster!) (Helenaveens)
  34. gô mor nor uis ô moeder é viskes gebakken (=maak dat je weg komt) (Sint-Niklaas)
  35. gô mor nor uis, ô moeder é viskus gebakken (=stap het maar af) (Sint-Niklaas)
  36. go nor a kasjemat (=kruip in je bed) (Ninoofs)
  37. Go nor uis, manneken, ou moedre ee siepers gebakken op de koolschuppe (=Ga naar huis jongen uw moeder heeft pannekoeken gebakken op de kolenschop) (Zottegems)
  38. got-i-jè nor de kirke (=gaat hij naar de kerk) (Wetters)
  39. hèdde un höske nòr oewe zin, kröpt er gaaw un aander in. (=als je je schaapjes op het droge hebt, is je leven bijna om, ga je weldra dood.) (Tilburgs)
  40. Hij is 'land uit, hij is nor Wetrn goan weun (=Iemand die vertrokken is zonder adres na te laten) (Zottegems)
  41. Hij kékt er nor gelyk ne uil op ne kluit ! (=Hij was zo verbijsterd dat-ie niets kon ondernemen.) (Massems)
  42. ij ee een orke nor zij vorke (=hij heeft het karakter van zijn vader) (Brakels)
  43. ij ee nor de schoole geweest binst de speeltijd (=hij heeft niets opgestoken in de school) (Brakels)
  44. ik goi ies nor munne niepert (=ik ga 'ns naar mijn bed) (Waalwijks)
  45. kèkt nor oew èige (=kijk naar jezelf (in de trant van commentaar levering) ) (Geffes)
  46. kgoi efkes nor de moas (=ik ga even naar de maas) (Cuijks)
  47. koer: No de koer gaun, nor achter gaun (=Naar het toilet gaan) (Lebbeeks)
  48. leugenjeir, gè gô recht nor ' d aal (=leugenaar, gij gaat recht naar de hel) (Sint-Niklaas)
  49. loept nor de poemp (=laat me met rust) (Antwerps)
  50. lop nor de klôote!! (=loop naar de maan!!) (Tilburgs)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen