Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

18 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `rijden`

  1. De groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=De machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  2. een rare schaats rijden (=zich raar aanstellen, lichtzinnig leven)
  3. een scheve schaats rijden (=een misstap begaan. Een morele regel overtreden)
  4. een vogel in de auto rijden (=elk geval kan overal mee leven)
  5. een vreemde schaats rijden (=zich raar aanstellen)
  6. iemand in de wielen rijden (=iemand tegenwerken om te zorgen dat het mis gaat)
  7. iemand van de sokken rijden/lopen (=iemand (bijna) omver rijden of lopen)
  8. krakende wagens lopen/rijden het langst (=nieuw hoeft niet altijd beter te zijn / mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud)
  9. Men moet een paard de rug niet stuk rijden. (=Men moet niet te veel eisen van een ander)
  10. men moet een paard de rug niet stukrijden (=men moet niet altijd te veel eisen)
  11. men moet rijden en omzien (=men moet voorzichtig te werk gaan)
  12. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
  13. op dat mes kun je naar Keulen rijden (=dat mes is erg bot)
  14. Op een apostelpaard rijden. (=Lopen)
  15. op het apostelpaard rijden (=te voet gaan)
  16. Op twee paarden blijven rijden. (=Men kan geen keus maken)
  17. op zijn stokpaard rijden (=altijd over hetzelfde praten of klagen)
  18. rijden en omzien (=verderdoen maar ook opletten)

4 betekenissen bevatten `rijden`

  1. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  2. niet door de beugel kunnen (=de norm overschrijden van wat aanvaardbaar of behoorlijk is)
  3. iemand van de sokken rijden/lopen (=iemand (bijna) omver rijden of lopen)
  4. met wortel en tak uitroeien (=iets volledig bestrijden om er geen last meer van te hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 37 spreekwoorden met `rijden`

  1. Veussels: platten baand hemme (=lek rijden)
  2. Poperings: toertje blok (=rond rijden)
  3. Hoogstraats: platten baand hebben (=lek rijden)
  4. Giesbaargs: plansjee geven (=rap, snel, heel vlug rijden)
  5. Brugs: pulle geeven (=snel rijden/ervoor gaan)
  6. Merenaars: zijnen auto in de frut raun (=auto kapot rijden)
  7. Denderleeuws: rond zjoeven (=in het rond rijden)
  8. Vlijtingens: op kop voare (=aan de leiding rijden)
  9. Hulsters (NL): zonder 'aande raije (=met losse handen rijden)
  10. Londerzeels: Ei z'n aare'n oep een ander ge lei (=Een scheve schaats rijden)
  11. Tilburgs: ze zò-n alles in bekaare rêepe (=ze zouden alles in elkaar rijden)
  12. Duffels: das van tèt te raa (=dat is van te hard te rijden)
  13. Gronings: joe motn alsmoar liekoet deur riedn (=u moet hier rechtdoor rijden)
  14. Zeeuws: Da's de pad op zeven (=Verkeerd rijden, via en omweg iets bereiken)
  15. Antwerps: pasoep of ze rije over oe graat (=Pas op of ze rijden u omver)
  16. Munsterbilzen - Minsters: daaj hërre peloes zoo ich ès wille aofraaje (=met haar zou ik eens tractor willen rijden)
  17. Liwwadders: we mutte altied maar rechtdeur riede. (=we moeten steeds rechtdoor blijven rijden.)
  18. Bonheidens: In Benaa snijn ze petètte en rijn ze me de kerrewage (=In Bonheiden snijden ze aardappelen en rijden ze met de kruiwagen)
  19. Bevers: We zimme gelijk van de waarek ont rijn (=we zijn op de verkeerde weg aan het rijden)
  20. Lebbeeks: pèid: Te post en te pèid ieveranst nautoe rouijn (=Erg haastig ergens naartoe rijden)
  21. Oudenaards: buzze geevn (=snel rijden)
  22. Bilzers: op kop vaore (=aan de leiding rijden)
  23. Arnhems: La'mij'ma rijje heur! (=Ik kan nog wel rijden)
  24. Waregems: sjette geven (=snel rijden, fietsen, lopen)
  25. Bosch: Dur overhinne knallu (=Er overheen rijden)
  26. Drents: ruggels (=achteruit rijden)
  27. Zwevegems: 'n skieeve skoatse rien (=een scheve schaats rijden, vreemdgaan)
  28. Ossies: D'r op peeren (=Flink gas geven / hard rijden (2))
  29. Westerkwartiers: ridst doe of rie ik? (=rijden - rijd jij of rij ik ?)
  30. Munsterbilzen - Minsters: op iemed zen vasse lope/raaje (=te dichtbij lopen/rijden)
  31. Diems: instoeken, tegenan stoeken (=ergens inrijden, tegenaan rijden)
  32. Boekels: de romkar vaoren (=de melkwagen rijden)
  33. Hulshouts: zet de gaas is uipe (=je moet sneller rijden)
  34. Tilburgs: rèèje (tt rèj, vt reej) (ww) (=rijden (ww))
  35. Erps: gallet geven,chette geven (=vlug lopen of rijden)
  36. Urkers: un kuiertjen mit de oto (=Een rondje rijden in de auto)
  37. Bonheidens: Ik wuen in Benaa, waa ze kappe en snaae en me de keurrewage raae (=Ik woon in Bonheiden, waar ze kappen en snijden en met de krijwagen rijden)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen