Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


10 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zwaar`

  1. de laatste loodjes wegen het zwaarst (=het afwerken is vaak het lastigst)
  2. de pen is machtiger dan het zwaard (=woorden kunnen meer teweeg brengen dan wapens)
  3. een zwaar hoofd in iets hebben (=er weinig kans in zien)
  4. het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de strijd aan (te) binden)
  5. het zwaard van Damocles (=iets wat snel of ieder moment kan gebeuren)
  6. wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen (=wat het belangrijkste is moet het eerste gebeuren)
  7. zijn kop is zwaarder dan zijn benen (=hij is dronken (of erg moe))
  8. zo zwaar als een aambeeld (=erg zwaar)
  9. zwaar op de hand zijn (=zeer ernstig/zwaarmoedig van karakter zijn)
  10. zwaar op de maag liggen (=iets een moeilijk probleem vinden)

14 betekenissen bevatten `zwaar`

  1. een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
  2. er niet over uit kunnen (=er niet over kunnen zwijgen, er zwaar door getroffen zijn)
  3. zo zwaar als een aambeeld (=erg zwaar)
  4. titanenarbeid verrichten (=erg zwaar werk doen)
  5. tegen de borst stuiten (=ergens zwaar moeite mee hebben / met tegenzin ondervinden)
  6. de bietenbrug opgaan (=falen, ten onder gaan, zwaar verliezen)
  7. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  8. het bekomt hem als de hond de knuppel na het stelen van de worst (=het valt hem zwaar tegen)
  9. hij is lelijk ten haring gevaren (=hij heeft zwaar pech gehad)
  10. je hebt luxe paarden en werkpaarden (=niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander)
  11. aan de degen rijgen (=tot (zwaar) verliezer maken)
  12. zwaar op de hand zijn (=zeer ernstig/zwaarmoedig van karakter zijn)
  13. zich op zijn pik getrapt voelen (=zich zwaar vernederd voelen)
  14. Tot de tanden bewapend (=zwaar bewapend)

Het dialectenwoordenboek kent 51 spreekwoorden met `zwaar`

  1. Westerkwartiers: de leste loodjes weeg'n 't zwoarst (=het laatste stuk is het zwaarst)
  2. Liemers: Elk pundje geeh toch eers deur't mundje. (=zwaarder in gewicht worden.)
  3. Leids: Het zwaard van Damascus (=Het zwaard van Damocles)
  4. Westerkwartiers: die zit op zwaart zoad (=die heeft geen geld meer)
  5. Westerkwartiers: hij is 't zwaarde schoap (=hij krijgt de schuld)
  6. Westerkwartiers: kalm aan, de dag is nog zwaart van uur'n (=rustig aan, we hebben nog tijd genoeg)
  7. Kortemarks: tweegt mièèr dan me drienkgeld (=het weegt zwaar)
  8. Evergems: E is getoakt tottop zijn bloaze. (=Hij is zwaar beledigd)
  9. Ursels: hij heefd een toakelinge gehad (=hij is zwaar ziek geweest)
  10. Londerzeels: ze hemme em nà Leuve gedaan (=iemand is zwaar ziek)
  11. Veurns: Etwieën e klooët oftrekk'n (=Iemand zwaar benadelen)
  12. Gents: de koas van tussen eu tienen hoale (=zwaar ondervraagd worden)
  13. Veurns: eloan zien lik e muulezel (=zwaar beladen zijn)
  14. Luyksgestels: goewd getroje zèn (=zwaar beledigd zijn)
  15. Munsterbilzen - Minsters: tiëge de sjieëne stampe (=zwaar beledigen)
  16. Waregems: den ippergoai ofskiet'n (ironisch) (=zwaar blunderen (ironisch))
  17. Bilzers: ne ferme pos pakke (=zwaar vallen)
  18. Bilzers: tkot geet wir viël te kleen zin (=het gaat weer zwaar donderen !)
  19. Westerkwartiers: 'k heb 't zwaart op wit (=ik heb het bewijs op papier)
  20. Munsterbilzen - Minsters: de beis authange (=zwaar feesten)
  21. Munsterbilzen - Minsters: op zen daus gaeve (=zwaar kloppen--winnen)
  22. Munsterbilzen - Minsters: mètzen kloempe ter dür loope (=zwaar overdrijven)
  23. Bilzers: snurke waaj nen os (=zwaar snurken)
  24. Bilzers: Aofgank es gewaunlek de vijfde gank van e lekker aetetsje (=eten te zwaar, groot gevaar)
  25. Lichtervelds: tweegt mièèr dan me drienkgeld (=het weegt zwaar)
  26. Munsterbilzen - Minsters: geloje waaj ne mauliëzel (=zwaar beladen)
  27. Westerkwartiers: stenn'n en puust'n (=zwaar steunen)
  28. Bilzers: hae és zoe kroemp assen ziëkel (=hij loopt zwaar voorover gebukt)
  29. Munsterbilzen - Minsters: nau höb ich tich leig op ! (=ik ben zwaar teleurgesteld in jou)
  30. Genneps: D'r van gelékt hèbbe (=Het zwaar te verduren hebben gehad)
  31. Westerkwartiers: hij hiemt d'r over (=hij ademt nogal zwaar)
  32. Waregems: 't es 'em in 't verkeeërde keelgat uskootn (=het heeft hem zwaar gestoord)
  33. Veurns: Da weegt lik en dooën oend (=Dat is heel zwaar)
  34. Liedekerks: Da weeg gelek as loeët (=dat weegt erg zwaar)
  35. deinzes: tes zwoare badderinge (=er wordt zwaar gevochten)
  36. Katwijks: de meeuwen vlieguh iet hoog (=het wordt zwaar weer)
  37. Munsterbilzen - Minsters: e lank gezich trèkke (=zwaar ontgoocheld zijn)
  38. Veurns: in de zeupe zitt'n (=zwaar aan het drinken zijn)
  39. Kotnaaks: Werreke da 't sap va zen buz drupt (=Zeer zwaar werken)
  40. Westerkwartiers: dat wordt eev'm zwitt'n (=dat wordt even zwaar werken)
  41. Bilzers: dat lik zwaur op de maog (lett.); dat lik op de laever (fig.) (=dat ligt zwaar op de maag)
  42. Bilzers: Doë hûbset laeste noch nie van gezien (=dat wordt een zwaar geval)
  43. Gents: 't es ne veugel veur de katte (=hij is zwaar ziek)
  44. Oudenbosch: meej un zwaore kar rije (=zwaar op de hand zijn)
  45. Oudenbosch: diejee ok ge-f wa vor de deur le-ge (=zwaar in de zorgen zitten)
  46. Liemers: Gao'j gaete grave: daor krie'j twee bulte van\r\n één op de rug en één naeve 't gat. (=zwaar werk willen doen.)
  47. Merenaars: mèn moug roejt op (=dat eten ligt me zwaar op de maag)
  48. Munsterbilzen - Minsters: das vër graajs hoeëre van te krijge (=dat zet je zwaar aan 't tobben)
  49. Sint-Niklaas: die zak is te zwoar, we gon èm verlochten (=die zak is te zwaar, we gaan hem lichter maken)
  50. Sint-Niklaas: 't doo(ds)kerrukkun over zijne rug voele rijn (=zeer bevreesd zjn om te sterven, zwaar ziek zijn)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen