Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


36 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `dood`

  1. Aan een dood paard trekken. (=Je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
  2. als de dood zijn voor iets (=heel erg bang zijn voor iets)
  3. Als je veel eet, dan ben je lelijk als je dood bent. (=Waarschuwing tegen te veel eten.)
  4. bloot slaat dood (=iemand voor het blok zetten: iemand dwingen een keuze te maken)
  5. boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
  6. dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geleidelijk aan wel worden vergeten)
  7. de aanval bloedt dood (=de aanval komt geleidelijk uit op een mislukking)
  8. de dood kent geen lieve kinderen (=ieder moet sterven)
  9. de dood op het lijf jagen (=schrik aanjagen)
  10. de een z'n dood is een ander z'n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  11. de mussen vallen (dood) van de daken (=het is snikheet)
  12. de sleutel op de doodskist leggen (=een erfenis weigeren)
  13. een dood kind met een lam handje (=iets dat totaal waardeloos is)
  14. een dood paard aan een boom binden (=overdreven voorzichtig zijn)
  15. Een dood paard aan een boom binden. (=Overdreven voorzichtig zijn)
  16. een doodgeboren kindje (=waardeloos, zonder toekomst)
  17. een nagel aan iemands doodkist (=een groot verdriet of iemand die een groot verdriet veroorzaakt)
  18. er de dood in de pot zijn (=niets te beleven zijn)
  19. er komt moord en doodslag van (=het komt tot grote problemen)
  20. er uitzien als de dood van Ieper (=er slecht uitzien)
  21. ergens een broertje aan dood hebben (=ergens een hekel aan hebben)
  22. eruit zien als de dood van ieperen (=er bijzonder slecht uitzien)
  23. hardlopers zijn doodlopers (=wie te snel begint, haalt misschien het einde niet)
  24. Het is goed sollen met een dood paard. (=Iemand die geen verzet biedt, is een makkelijk slachtoffer)
  25. het is trekken aan een dood paard (=het is een onbegonnen zaak)
  26. iemand doodpraten (=op iemand blijven inpraten tot hij versuft van raakt)
  27. iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
  28. Je moet een paard niet doodknuppelen, voordat je thuis bent. (=Te veel haast kan wel eens vertraging opleveren)
  29. met een dood kalf is het goed sollen (=men kan gerust wat proberen met iets dat al verloren is)
  30. om de dooie dood niet (=volstrekt niet, in geen geval, al kost het me mijn leven)
  31. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  32. op iets dood blijven (=erg belust op iets zijn (bv geld; gierig))
  33. Trekken aan een dood paard. (=Het is een onbegonnen zaak)
  34. veel honden zijn der hazen dood (=voor de overmacht moet men wel bezwijken)
  35. wie bang leeft, gaat ook bang dood (=je gaat zoals je geleefd hebt)
  36. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)

28 betekenissen bevatten `dood`

  1. op apegapen liggen (=bijna dood of erg benauwd zijn)
  2. aan de rand van het graf staan (=bijna dood zijn)
  3. met een been in het graf staan (=bijna dood, ernstig ziek)
  4. magere Hein (=de dood)
  5. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  6. bij de mieren zijn (=dood)
  7. het hoekje om gaan (=dood gaan)
  8. de kraaienmars blazen (=dood gaan)
  9. om een luchtje gaan (=dood gaan)
  10. de tol aan de natuur betalen (=dood gaan)
  11. tegen de muur zetten (=doodschieten)
  12. er verdrinken er meer in het glas dan in de zee (=er gaan veel mensen dood door het drinken van alcohol)
  13. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)
  14. zijn eindje wel kunnen halen (=genoeg (geld) hebben tot aan zijn dood)
  15. beter blo(de) Jan dan do(de) Jan (=het is beter zich laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
  16. hij is op het glazen bruggetje geweest (=hij is in doodsgevaar geweest, op het nippertje ontsnapt)
  17. iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
  18. met één voet in het graf staan (=iemand gaat bijna dood)
  19. het laatste hemd heeft geen zakken (=je kunt niets meenemen als je dood gaat (laatste hemd = doodshemd))
  20. over de doden niets dan goeds (=men ziet kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood)
  21. aan gene zijde van het graf (=na de dood)
  22. in het land der levenden (=op aarde, voor de dood)
  23. je laatste adem uitblazen (=sterven, doodgaan)
  24. aan de galg komen (=ter dood veroordeeld worden)
  25. van de wieg tot aan het graf (=van de geboorte tot aan de dood)
  26. heden in hoogheid verheven morgen onder de aarde (=vandaag nog heel belangrijk, maar morgen misschien al dood)
  27. zo ziek als een hond zijn (=zeer ziek zijn, doodziek op bed liggen)
  28. zich in zijn graf omkeren (=zelfs na zijn dood er nog door geschokt zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 185 spreekwoorden met `dood`

  1. Westerkwartiers: doe moest dij doodschoam'm (=jij moet je doodschamen)
  2. Lovendegems: zo simpel als pompwater (=doodeenvoudig*)
  3. West-Vlaams: Verkelkereerd (=doodshoofd, schedel)
  4. Dongens: Ut ies unne naogel on munne doodskiest (=Het is een nagel aan mijn doodskist)
  5. Westerkwartiers: hij is muuskestil (=hij is doodstil)
  6. Steins: Zoea vaerdig wie ei kemmuniejeske (=doodmoe of doodop zijn)
  7. Werviks: 't gat of zin (=doodop zijn)
  8. Waregems: 't woa doar boutstille (=het was daar doodstil)
  9. Bilzers: t leidsje ter bij légge (=doodgaan)
  10. Munsterbilzen - Minsters: zen pijp autkloppe (=doodgaan)
  11. Munsterbilzen - Minsters: noë Zjezeke gon (=doodgaan)
  12. Nederweerts: aane heg (=doodmoe)
  13. Bilzers: zich een brieëk laachte (=zich doodlachen)
  14. Rillaars: Hee z'n oage doeëdgewrut. (=Hij heeft zich doodgewerkt.)
  15. Tilburgs: unnen hawtere jas (=een doodskist)
  16. Mestreechs: zoe meuj es 'n maoj (=doodmoe)
  17. Bilzers: hae slip bauter steed (=doodmoe)
  18. Westerkwartiers: dat was veur heur de 't nekschot (=dat was voor haar de doodsteek)
  19. Rotterdams: ik ben naar de klooote (=doodop zijn)
  20. Bilzers: zoe miëg as n moï zin (=doodop zijn)
  21. Waregems: ie/z' es t'end'n (=hij/zij is doodop (doodziek))
  22. Budels: ich bin kei aon de pin (=ik ben doodop!!)
  23. Roosendaals: Ik zijn tenne. (=Ik ben doodop.)
  24. Hulsters (NL): ai was dun bout af (=hij was doodop)
  25. Munsterbilzen - Minsters: ich bèn zoe mieg assen moj (=ik ben doodop)
  26. Tilburgs: k-zèè kaaj mûug ! (=ik ben doodop !)
  27. Oudenbosch: at zowijtis kunde gij niks meeneme (=een doodshemd heeft geen zakken)
  28. Roeselaars: Tschaop is de preut of (=Ze is doodmoe)
  29. Zaans: Me griezels lope over me grazzels (=Dat vind ik doodeng, ik word er akelig van)
  30. Westerkwartiers: die vrouw is schiet'ns benauwd (=die vrouw is doodsbang)
  31. Bilzers: ich kos laaje daste nau kepot voels (=van mij mag je ter plaatse doodvallen)
  32. Gents: ze zijn afgedjakt - aa /zaa es bekaf (=hij/zij is doodop)
  33. Nunspeets: Ik bin schone an de latte (=Ik ben doodop)
  34. Giethoorns: Hi-j ef de pupe aordig uut (=Hij is doodop, moe van inspanning)
  35. Rotterdams: Naar ze grootje zijn (=doodop zijn)
  36. Oudenbosch: kzijn aflegges klaor (=ik ben doodop)
  37. Munsterbilzen - Minsters: me pumpke és aof (=ik ben doodop)
  38. Dongens: ik ben er ram aon (=ik ben doodop)
  39. Munsterbilzen - Minsters: ich bin zoe mieg assen moj (=ik ben doodop)
  40. Westfries: ik ben meer as louf (=ik ben doodmoe)
  41. Langemarks: Kzyn tgat of (=Ik ben uitgeput (doodmoe))
  42. Melseels: 't schoap is de preut af (=hij is doodmoe)
  43. Evergems: zijn kisse es uit (=hij is doodmoe)
  44. Fries: Ik bin skjin út é lyken (=Ik ben doodmoe)
  45. Westfries: Ik bin stek of! (=Ik ben doodmoe!)
  46. Westfries: 'T doodskoppe niet weerd (=Waardeloos persoon)
  47. Venloos: D'n hölteren euveral (=De doodskist)
  48. Lichtervelds: zn bièènn sloan dubbeltoeë (=hij is doodmoe)
  49. Dordts: D'r is een takkeltie dod gereje op de Reewag wast (=Er is een teckeltje doodgereden op de Reeweg West)
  50. Lichtervelds: je kan nie mièè goapn van moeteid (=hij is doodmoe)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen