55 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `dood`
- aan een dood paard trekken. (=je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
- als de dood zijn voor iets (=heel erg bang zijn voor iets)
- als je veel eet, dan ben je lelijk als je dood bent. (=waarschuwing tegen te veel eten.)
- bloot slaat dood (=iemand voor het blok zetten: iemand dwingen een keuze te maken)
- boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
- dat schaap zal een zachte dood nemen. (=het wordt vergeten)
- dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geleidelijk aan wel worden vergeten)
- dat zal je de dood niet aandoen (=iets is niet zo erg is als het lijkt)
- de aanval bloedt dood (=de aanval komt geleidelijk uit op een mislukking)
- de dood kent geen lieve kinderen (=ieder moet sterven)
- de dood of de gladiolen (=er vol voor gaan, zonder compromissen.)
- de dood op het lijf jagen (=schrik aanjagen)
- de dood wil een oorzaak hebben. (=het is belangrijk onm te weten waarom iets gebeurt)
- de een z`n dood is een ander z`n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
- de mussen vallen (dood) van de daken (=het is snikheet)
- de sleutel op de doodskist leggen (=een erfenis weigeren)
- dood en begraven zijn (=definitief voorbij zijn.)
- dood en verderf zaaien (=grote schade of vernietiging veroorzaken.)
- dood gaan we allemaal. (=gezegd als je iets ongezonds doet)
- een dood kind met een lam handje (=iets dat totaal waardeloos is)
- een dood paard aan een boom binden (=overdreven voorzichtig zijn)
- een doodgeboren kindje (=waardeloos, zonder toekomst)
- een doodshemd heeft geen zakken. (=je hebt niets aan je geld als je dood bent)
- een nagel aan iemands doodkist (=een groot verdriet of iemand die een groot verdriet veroorzaakt)
- er de dood in de pot zijn (=niets te beleven zijn)
- er een broertje aan dood hebben (=er een hekel aan hebben)
- er komt moord en doodslag van (=het komt tot grote problemen)
- er uitzien als de dood van Ieper (=er slecht uitzien)
- eruit zien als de dood van ieperen (=er bijzonder slecht uitzien)
- gauw is dood en langzaam leeft nog. (=iets te snel doen is niet goed)
- hardlopers zijn doodlopers (=wie te snel begint, haalt misschien het einde niet)
- het hooi is op en de koe is dood. (=het is een hopeloze zaak)
- het is er als dood katoen. (=het is er doodsaai)
- het is er de dood in de pot. (=er is niemand.)
- het is goed sollen met een dood paard. (=iemand die geen verzet biedt, is een makkelijk slachtoffer)
- het is trekken aan een dood paard (=het is een onbegonnen zaak)
- hoe eerder dood, hoe eerder begraven. (=een nare klus beter niet uitstellen)
- iemand doodpraten (=op iemand blijven inpraten tot hij versuft van raakt)
- iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
- je eigen dood sterven. (=vanzelf voorbij gaan)
- je moet een paard niet doodknuppelen, voordat je thuis bent. (=te veel haast kan wel eens vertraging opleveren)
- klein is de rouwe, valt de oude koe dood. (=hoe ouder iemand sterft hoe minder het verdriet)
- met een dood kalf is het goed sollen (=men kan gerust wat proberen met iets dat al verloren is)
- om de dooie dood niet (=volstrekt niet, in geen geval, al kost het me mijn leven)
- op dood spoor zitten (=een situatie waarin er geen vooruitgang of hoop is)
- op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
- op iets dood blijven (=erg belust op iets zijn (bv geld; gierig))
- Pietje de dood maait altijd. (=doodgaan is onvermijdelijk)
- sterker dan de dood (=iets onverwoestbaars)
- tegen de dood is geen kruid gewassen. (=doodgaan is onvermijdelijk)
35 betekenissen bevatten `dood`
- op apegapen liggen (=bijna dood of erg benauwd zijn)
- aan de rand van het graf staan (=bijna dood zijn)
- met een been in het graf staan (=bijna dood, ernstig ziek)
- magere Hein (=de dood)
- iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
- bij de mieren zijn (=dood)
- de kraaienmars blazen (=dood gaan)
- de tol aan de natuur betalen (=dood gaan)
- om een luchtje gaan (=dood gaan)
- het hoekje om gaan (=dood gaan)
- Pietje de dood maait altijd. (=doodgaan is onvermijdelijk)
- tegen de dood is geen kruid gewassen. (=doodgaan is onvermijdelijk)
- tegen de muur zetten (=doodschieten)
- een man als David (=een sterke kerel (David doodde de reus Goliath))
- er verdrinken er meer in het glas dan in de zee (=er gaan veel mensen dood door het drinken van alcohol)
- zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)
- je eindje wel kunnen halen (=genoeg (geld) hebben tot aan zijn dood)
- beter blode Jan dan dode Jan (=het is beter zich laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
- het is er als dood katoen. (=het is er doodsaai)
- de sigaar zijn (=het slachtoffer zijn / de doodstraf krijgen (een sigaar wordt `onthoofd` voor gebruik))
- iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
- met één voet in het graf staan (=iemand gaat bijna dood)
- op het glazen bruggetje geweest zijn (=in doodsgevaar zijn geweest, op het nippertje ontsnappen)
- een doodshemd heeft geen zakken. (=je hebt niets aan je geld als je dood bent)
- het laatste hemd heeft geen zakken (=je kunt niets meenemen als je dood gaat (laatste hemd = doodshemd))
- over de doden niets dan goeds (=men ziet kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood)
- aan gene zijde van het graf (=na de dood)
- in het land der levenden (=op aarde, voor de dood)
- je laatste adem uitblazen (=sterven, doodgaan)
- aan de galg komen (=ter dood veroordeeld worden)
- jong en oud, op het eind wordt alles koud. (=uiteindelijk gaat iedereen dood.)
- van de wieg tot aan het graf (=van de geboorte tot aan de dood)
- heden in hoogheid verheven morgen onder de aarde (=vandaag nog heel belangrijk, maar morgen misschien al dood)
- zo ziek als een hond zijn (=zeer ziek zijn, doodziek op bed liggen)
- je in je graf omkeren (=zelfs na zijn dood er nog door geschokt zijn)
50 dialectgezegden bevatten `dood`
- (De meeste mensen gaan dood in bed) gekscherend gezegd als iemand aangeeft naar bed te gaan. (=Op berre goat de meeste mens'n doohd) (Epers)
- 'k plak nen an de muur (=ik sla hem dood ( (verbaal woedend) ) (Waregems)
- 'k was gepakt as ik oordun da zèn broer dood was (=door iets getroffen zijn, verdriet hebben) (Sint-Niklaas)
- 'k Wil hier dood nog niet zien worden (=Hier wil ik echt niet zijn.) (Drents)
- 'n Doeëdshûmme hieët gein tesse (=Als je dood gaat neem je niets mee) (Weerts)
- 'n dood peerd an 'n poal vaastbiend'n (=te voorzichtig leven) (Westerkwartiers)
- 't is doar dood katoen (=er valt daar niks te beleven) (Westerkwartiers)
- 't Komt op een dood peerd ok gien steek meer an (=Dat kan er ook nog wel bij) (Zaans)
- 't ligt met zien pooten omooge (=het dier is dood) (West-Vlaams)
- 't oale vleis mut eerst op (=Oude mensen gaan eerst dood) (Vechtdals)
- (je ken) aan het gas, hebbie licht gratis (=Je kunt het bekijken / zak erin / zoek het uit / val dood) (Utrechts)
- ' T letste humme haet gein tesje!! (=Als je dood gaat, neem je niets mee!!) (Steins)
- a eit zenne kerf gezetsj (=hij is dood) (Aalsters)
- a ès keizer (=hij is dood) (Meers)
- a es on't fribbelen (=hij voelt de dood naderen) (Meers)
- a is kevendrager (=hij is dood) (Booms)
- a ligt op steirven, a ligt op staarven (=op sterven na dood) (Giesbaargs)
- a sloade mae duuëd (=al sla je me dood) (Wichels)
- achter de buu.kehèg ligge (=dood zijn) (Genneps)
- achter oens piese ze der putses mee (=na ons dood doen de kinderen ons geld op) (Gents)
- achtr ons trekken ze de leere op (=na de dood is er niets meer) (Maldegems)
- ae ee zèen pèep oan merten gegeven, zèene körf gezet, zèene klopper gezet, zèen kèes uitgebloaz'n; ae es't goan zeggen (=hij is dood) (Wichels)
- ae es mor d'uëgen toe te nèepen (=Op sterven na dood) (Wichels)
- Aermoei dat do waos: de meis loege doed èn de frigo (=Armoede dat daar was: de muizen lagen dood in de koelkast.) (Genker)
- Ai-j bange leaft, goah-j bange dood (=Durf te leven) (Sallands)
- Altijd ziek maar nimmer doôd (vaak misbruikt tegen chronisch zieken) (=Je klaagt altijd maar mankeert nooit echt wat.) (Utrechts)
- An waarden is nog nooit iene dood egaon (=Doe maar eens wat) (Giethoorns)
- an wark is ter nooit ienene an dood egoane (=aan werk is nooit iemand dood gegaan) (Vechtdals)
- aon een dood pjért trekken (=het haalt niets uit) (Graauws)
- As d'n eine sjaaj haet, haet d'n angere perfiet (=De een zijn dood is de ander zijn brood) (Roermonds)
- as Slumke doeëd es, krieegdje ziên jeske (=als Slimpie dood is, krijg jij zijn jasje) (Weerts)
- As slummeke slum dood is muegde gij dem zijn (=Als iemand iets heel dom gezegd heeft) (Herentals)
- as tër daud zin vër de naach (=schrik hebben voor de dood) (Munsterbilzen - Minsters)
- as we / ammen uit 'n tèed zèen (=als we dood zijn) (Wichels)
- asof ze laeve ter van aof hink (=op leven en dood) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste daud bès, bèste heilegans niks mèt ën watch geld (=als je dood zijt, ben je niets met een hoop geld) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste daud bès, wiët iedereen get van dich (=een vriend is iemand die tijdens je leven je vertelt, wat anderen na je dood van je weten te vertellen) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste smërgës opstees mètte hinne, doër den daog wërks waajë piëd en dan soëvës mieg bès waaj nen hond...dan bèste heil ziëkër ne loempën iëzël of stoem koer (=als vroeg op staat, dan hard werkt om s'avond dood te zijn, dan schat ik dat je een ezel of lompe koe zijt) (Munsterbilzen - Minsters)
- astën haoên nie kraeët ènt mërgëraud , dan geet ët raengëre of...den haoën ès al daud (=als de haan niet kraait in 't morgenrood, dan gaat het regenen...of de haan ligt dood !) (Munsterbilzen - Minsters)
- Bange veur d' eierkorf (=Angst voor de dood) (Giethoorns)
- bè Pikke Reigà zen (=dood zijn) (Tiens)
- Beej Bierstekers van de schöp springe (=Aan de dood ontsnappen) (Venloos)
- beumpie groot, plaantergie dood (=bomen worden oud) (Vechtdals)
- bumpkë graut, mennëkë daud (=ik ben dood voordat dit (vers geplant) boompje groot is) (Munsterbilzen - Minsters)
- d´r zit doar gien leev´m ien ´e brou-
werij (=het is dood katoen daar) (Westerkwartiers)
- D'iene staarft,d'aandre aarft (=Het leven gaat door de een zijn dood is andermans brood) (Giethoorns)
- D'n dood is er nie mee gemoeid (=Het valt wel mee) (kerkdriels)
- d'oh kregde't scheit van (=dat is om je dood te ergeren) (Olens)
- D'r es een takkeltie dood gereje op de Reewag (=Er is een teckeltje doodgereden op de Reeweg (voorbeeldzin vol woorden die zich er goed toe lenen het Dordts accent te demonstreren)) (Dordts)
- D'r goat d'r meer dood an 'n draank as van 'n döst (=Er sterven meer mensen aan de drank dan van de dorst) (Twents)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen