Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


21 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `net`

  1. achter het net vissen (=pech hebben, net een gelegenheid missen)
  2. Achter het net vissen (=Een kans missen)
  3. de heler is net zo goed als de steler (=wie gestolen goed koopt is even slecht als de dief)
  4. de vogel over het net laten vliegen (=goede kansen niet aangrijpen)
  5. door de mazen van het net glippen/kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  6. een pannetje lusten (=een borrel lusten)
  7. een proefballonnetje oplaten (=Door het doen van een uitspraak de mening van anderen peilen)
  8. grote vissen scheuren het net (=hooggeplaatste personen worden niet zo gemakkelijk gestraft)
  9. het dunnetjes overdoen (=het nog een keertje op dezelfde manier herdoen)
  10. het leven is net een krentenbol, met af en toe een hard stukje (=het leven is niet een en al geluk maar kent soms ook tegenslag)
  11. het zonnetje in huis (=iemand die zorgt voor een goede, opgeruimde sfeer)
  12. hij heeft net zoveel geld in de buidel als een jood spek in de kast (=hij is straatarm)
  13. iemand het net over het hoofd halen (=iemand tegen wil en dank tot iets doen besluiten)
  14. iemand in het zonnetje zetten (=iemand op positieve wijze aandacht geven, iemand eer bewijzen)
  15. iets mannetje voor mannetje doen (=iets strikt volgens plan uitvoeren)
  16. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  17. roep geen haring voor hij in het net is (=wees niet te voorbarig)
  18. tussen de mazen (van het net) vissen (=creatief te werk gaan)
  19. wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)
  20. zijn mannetje kunnen staan (=zich goed kunnen verdedigen)
  21. zijn netten drogen (=uitrusten na dronkenschap)

15 betekenissen bevatten `net`

  1. die haring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje schijnt niet te lukken)
  2. het scheelde maar een haartje (=dat ging maar net goed)
  3. dat was op het nippertje (=dat is maar net gelukt)
  4. bij de vleet (=er is meer dan voldoende van (vleet was vroeger een groot visnet))
  5. het op de lippen hebben (=het net willen zeggen)
  6. in iemands kielzog varen (=het net zo doen als iemands voorganger)
  7. een Tantaluskwelling zijn (=iets erg graag willen maar het (net) niet kunnen verkrijgen)
  8. (haring) bij de vleet (=in overvloed. (Een `vleet` is een groot net dat door de haringloggers werd/wordt gebruikt.))
  9. om door een ringetje te halen (=keurig netjes)
  10. de vermoorde onschuld spelen (=net doen alsof je van niets weet)
  11. voor hetzelfde geld (=net zo goed)
  12. binnen de lijntjes kleuren (=netjes handelen, niets doen wat niet mag)
  13. achter het net vissen (=pech hebben, net een gelegenheid missen)
  14. uit de luizen zijn (=uit een netelige situatie gered zijn)
  15. de woorden uit de mond halen/nemen (=zeggen wat de ander ook net wou zeggen)

Het dialectenwoordenboek kent 158 spreekwoorden met `net`

  1. Poperings: e 'netn witn (=hij is lui)
  2. Veurns: van de werke weg klapp'n (=een minder netelig gespreksonderwerp aansnijden)
  3. Overmeers: 'n hulleken teengels (=een struikje netels)
  4. Heusdens: moes diee netouw (=waar is hij naartoe)
  5. Gronings: 't is mie netgliek (=het maakt mij niet uit)
  6. Oudenbosch: ijee mee smaok zitte nete (=hij liet zich de maaltijd welgevallen)
  7. Oudenbosch: gettum zo zeker as n scheet in n netje (=je hebt hem niet zeker)
  8. Munsterbilzen - Minsters: tegoej en nie verkeird (=netjes en verzorgd)
  9. Staphorsts: niet zoe emmel (=niet ze netjes)
  10. Zaans: Angekleed gaat oit! (=Er netjes uitzien)
  11. Bilzers: ze boeltsje bijéénpakke (=opgeruimd staat netjes)
  12. Roosendaals: Schòòn waark. (=Opgeruimd staat netjes.)
  13. Westerkwartiers: 's naachts viss'n, overdaag nett'n brei'n (=je bezigheden op het juiste moment doen)
  14. Bredaas: get um zo zeker as un scheet in un netje (=je kunt van hem niet op aan)
  15. Flakkees: Je staet er dim op (=Je ziet er netjes uit)
  16. Westfries: Pikt en dreven (=netjes gekleed ( om uit te gaan ))
  17. Leids: ik teer je netten in met een bledder (=ik trap je ramen in met een voetbal)
  18. Eindhovens: Doe mer's gek, mer hauw ut fijn (=Doe maar gek, maar hou het netjes)
  19. Munsterbilzen - Minsters: de joenges blinke en de mètskes stinke(of zèg ich et umgekeird) (=jongens zijn netter dan de meisjes(of is het omgekeerd))
  20. Nunspeets: A-j 's avens vissen willen, mu-j 's mannens de netten dreugen (=Tijdig je regelingen treffen)
  21. Flakkees: Amme preute (is geen nette taal) erg grof!! (=Maar dat doe ik niet)
  22. Sliedrechts: Het mot êêst warre wil 't rêêje (=Het moet eerst een rommel zijn wil het netjes kunnen worden)
  23. Alblasserdams: 't mot eerst warre wil 't reeje (=Het moet eerst een rommel zijn wil het weer netjes worden)
  24. Giessendams: ut mot irst warre voor ut reeen (=het moet eerst een rotzooi zijn voor het netjes wordt)
  25. Kaatsheuvels: Doe marres gek mar hauwet fèèn (=Ga maar eens uit je dak maar hou het netjes)
  26. Giessendams: ut mot irst warren wil ut reeen (=het moet eerst een rotzooi zijn, voor het netjes wordt)
  27. Brakels: zuust intijds (=net op tijd)
  28. Mestreechs: zjus wieste zègks (=net wat je zegt!)
  29. Ossies: krek (=zo is het maar net)
  30. Westerkwartiers: zo is't moar krekt (=zo is het maar net)
  31. Westerkwartiers: 't ken d'r met deur (='t is net goed genoeg)
  32. Tilburgs: dè lèèkent wèl un taartje (=dat is net een gebakje)
  33. Deurns: Krék goe (=Eigen schuld/net goed)
  34. Ostêns: 't is a je schietiele (=je vist naast het net)
  35. Lichtervelds: jeet gat ofgeneepn (=hij was nog net op tijd)
  36. Sint-Niklaas: zjuust in tits (=net op tijd)
  37. Westfries: Krappe sokken (=Het kan/ past maar net)
  38. Liessents: kwaap (=net uit het ei gekropen vogeltje)
  39. Westerkwartiers: zo is 't moar krekt (=zo is het maar net)
  40. Westerkwartiers: zo 'st moar krekt (=zo is het maar net)
  41. Munsterbilzen - Minsters: de kantenier, iës Vanheusde van Miëseme, en ternoë Gus Stas van on de staose èn Minster, onderhoele de waeg en de slaute van Minster, zaumèr èn hun ééntsje opte viloo mètten sjoep enne bessem...en twor ammel goed onderhaage (=de respektievelijke kantoniers, Vanheusden van Meershoven en Guust Stas van Munster, onderhielden de straten en grachten van Munster zomaar in hun ééntje, met schop en bezem op de fiets...en het was netter dan nu.)
  42. Westerkwartiers: dat was op 't hap-zegg'n (=dat was net op tijd)
  43. Brakels (gld): ut kon krek (=het ging net)
  44. Westerkwartiers: 't ken krekt (=het kan net)
  45. Lichtervelds: jis zoî vies lik ne kattestroent (=hij is net welgezind)
  46. kortemarks: jeet gat ofgeschootn (=hij was nog net op tijd)
  47. Waregems: 'k komme zjuuste thois (=ik kom net thuis)
  48. Waregems: nauwkes 30 santimeters (=net geen 30 centimeter)
  49. Helmonds: krek wa`k suuk (=net wat ik zoek)
  50. Merenaars: zè voeër gesketen (=net zijn vader)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen