4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zuinig`
- op een zuinigje (=erg goedkoop - weinig moeite doend)
- zuinig kijken (=teleurgesteld of verdrietig kijken)
- zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=op kleine dingen bezuinigen kan grotere gevolgen hebben)
- zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen (=door zuinig en ijverig te zijn, kan men veel bereiken)
13 betekenissen bevatten `zuinig`
- een reef in het zeil doen (=besnoeien in de uitgaven, bezuinigen)
- de broodkorf hoger hangen. (=bezuinigen)
- zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen (=door zuinig en ijverig te zijn, kan men veel bereiken)
- een lucifer in drieën kunnen kloven (=erg zuinig zijn)
- dun snijden is het behoud van de worst. (=goed kunnen rondkomen door zuinig te zijn)
- een heilige koe (=iets waar je niet aan mag komen en zuinig op bent, voor sommige mensen is dat bijv. een auto)
- bij het walletje langs (=op het nippertje, zuinig)
- bederf geen pannenkoek om een ei (=op kleine dingen bezuinigen kan grotere gevolgen hebben)
- zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=op kleine dingen bezuinigen kan grotere gevolgen hebben)
- wat men aan het zaad spaart verliest men aan de oogst (=verkeerde zuinigheid is niet goed)
- droog brood eten (=zuinig moeten zijn, financieel slecht gaan)
- de hand op de knip houden (=zuinig zijn)
- op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen terug te dringen)
42 dialectgezegden bevatten `zuinig`
- 't is 'n penning zestien (=hij is uiterst zuinig) (Westerkwartiers)
- baeter ein aod paerd kepot as ein jónk bedorve (=je moet zuinig zijn op de (onbedorven) jeugd) (Heitsers)
- dae twieë zwegelkes noeëdig heet um zien piêp aan te staeke, weurtj noeëts riêk (=als je niet zuinig bent, word je nooit rijk) (Weerts)
- dao gieet niks oet as de rouk en dae is nog gezieëftj auch (=heel erg zuinig zijn) (Weerts)
- de hand op de knip hebben (=zuinig zijn) (Genneps)
- de miste höshaawes hòn ut nie brêet (=de meeste gezinnen moesten zuinig zijn) (Tilburgs)
- De moes Zjeezeke z'n ooge ni autstaeke (=Je moet zuinig omspringen met etenswaar) (Bilzers)
- Dei tèlt zien vrouw de koffieboene veur (=Hij laat zijn echtgenote een zuinig huishouden bestieren) (Amies)
- Die lat zich veur een dubbeltie een gat in de ribben boren (=Die is heel zuinig) (Giethoorns)
- Die lat zich veur een dubbeltje een gat in de ribben boren (=Heel zuinig) (Giethoorns)
- Diejen esjoevie raai vuste schaojlek (=Die SUV rijdt niet zuinig) (Bredaas)
- Dunne plekskes sniën, is ' t behold van de wörste (=zuinig aan, dan hou je wat over) (Achterhoeks)
- hij gooit zien cent'n niet over de baalk (=hij is zuinig) (Westerkwartiers)
- hij hoeft nie op enen bos peeje te kèèke (=hij hoeft niet zuinig aan te doen.) (Tilburgs)
- hij hold de haand op 'e knip (=hij is erg zuinig) (Westerkwartiers)
- hij wil zien aaigen stront wel vreten (=hij is erg zuinig) (Westerkwartiers)
- ie is zo dinne as pit witter (=hij is erg zuinig) (Zeeuws)
- ie zou un dubbeltje deur bieten (=zuinig) (Zeeuws)
- je zoe ne frang in twein bittn (=hij is erg zuinig) (Kortrijks)
- kapot gaon op enne cè.nt (=Erg zuinig zijn) (Genneps)
- meej en dun pòtlôod schrèève (=zuinig calculeren) (Tilburgs)
- Met drouge biene op de kant loupe. (=een boterham zo zuinig smeren dat de kanten niet bedekt zijn.) (Westfries)
- moest niet zo zuneg weez'n (=je moet niet zo zuinig zijn) (Westerkwartiers)
- oans bin zunig (=wij zijn zuinig) (Zeeuws)
- Op de need krabbe. (=zuinig zijn.) (zaans)
- op zenne zak zitten / op zen besse zien (=zuinig leven) (Moorsel)
- sich enge brieëm durrech de vott riete (=zeer zuinig zijn) (Eys)
- siepelstip eten (=zuinig aan doen) (Westerkwartiers)
- slagâh, schùift ut maah ondâh de deuâh doâh (=zuinig zijn) (Haags)
- Tè nen Tèès! (=zuinig zijn) (Kortrijks)
- Un fienen Jödde. (=Iemand die erg zuinig is.) (Aaltens)
- van geev' m wordt je niet riek (=je moet zuinig zijn) (Westerkwartiers)
- Wa’j ow spaort veur de mond, is vake veur de katte of de hond. (=Wees niet altijd zo zuinig) (achterhoeks)
- wat bist doe 'n zunege miegerd (=wat ben jij zuinig zeg) (Westerkwartiers)
- wel 't breed het, let 't breed hang'n (=wie genoeg geld heeft, hoeft niet zuinig te leven) (Westerkwartiers)
- ze is op 'e penning (=zij is zuinig) (Westerkwartiers)
- ze wil 'n cent nog wel deurbiet'n (=zij is extreem zuinig) (Westerkwartiers)
- Zo gierig dat-ie zelluf tegen de pui staat te pisse om een hond uit te sparen (=zuinig zijn) (Rotterdams)
- Zo gierig dat-ie zelluf tegn de pui staat te pisse om een hond uit te sparen (=zuinig zijn) (Mestreechs)
- zunege paider (=iemand die zuinig is) (Hogelandsters)
- zunige paiter (=iemand die zuinig) (Gronings)
- Zuunege kniepert (=zuinig persoon) (Hierdens)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen