Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `morgen`

  1. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
  2. geen zorgen voor de dag van morgen (=maak je nu nog niet druk over mogelijke toekomstige problemen)
  3. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  4. heden ik morgen gij (=oud grafschrift: gedenk, lezer, dat jij ook zal sterven)
  5. heden in hoogheid verheven morgen onder de aarde (=vandaag nog heel belangrijk, maar morgen misschien al dood)
  6. kom ik er vandaag niet dan kom ik er morgen (=ik doe het wel op mijn gemak)
  7. morgen als kaatje verjaart (=nooit , dat stel ik liever uit)
  8. morgen brengen (=dat geloof je toch zelf niet! dat doe ik beslist niet!)
  9. morgen des levens (=de jeugd)
  10. morgen gaat het beter (=als het vandaag niet zo best is gegaan...)
  11. morgen komt er weer een dag (=niet zo haastig, morgen kan het ook nog)
  12. morgenrood, regen in de sloot (=weerspreuk : rood opkomende zon betekent vaak regen)

2 betekenissen bevatten `morgen`

  1. morgen komt er weer een dag (=niet zo haastig, morgen kan het ook nog)
  2. heden in hoogheid verheven morgen onder de aarde (=vandaag nog heel belangrijk, maar morgen misschien al dood)

Het dialectenwoordenboek kent 39 spreekwoorden met `morgen`

  1. brabants: D' urste krèij vêngt de piere. (=De morgenstond heeft goud in de mond)
  2. Fries: moarns let, de hiele dei nei de kloaten (=de morgenstond heeft goud in de mond)
  3. Sint-Niklaas: van de morgut (=deze morgen)
  4. Brasschaats: morge ist te loat (=morgen is het te laat)
  5. Aarschots: tot vleejs (=tot morgen)
  6. Vilvoords: Tot merge (=Tot morgen)
  7. Rillaars: 's mijreges vrug (='s morgens vroeg)
  8. Aalsters Gld: mandagemergen klompen gehelt en nie betelt (=maandag morgen klompen gahaald en niet betaald)
  9. Ninoofs: vandemeirnt (=deze morgen)
  10. Munsterbilzen - Minsters: nie waajer kieke assen naos lank ès (=denk nog niet aan morgen, maar doe het vandaag)
  11. Achterhoeks: he'j al e'dretten (=goede morgen)
  12. Merenaars: goeje meirend (=goeie morgen)
  13. Fries: Oan 't moarn (=tot morgen)
  14. Westerkwartiers: we goan mörg'n van gedacht'n wizzel'n (=we gaan morgen brainstormen)
  15. Zeeuws: merrehenochend om dezen tied ,a de koekoek heeste schiet (=morgen ochtend)
  16. Limburgs: gees du mörge mit (=ga je morgen mee)
  17. Bilzers: soëves bier métte maach, smërges wotter autte graach (='s avonds drank in het groot, 's morgens tevreden met water uit de sloot)
  18. Zeeuws: lukt 'et vandaege nie, dan lukt'et merrege (=wat vandaag niet lukt, lukt morgen)
  19. Kinrooi: Veur de zörge van mörge zal mörge waal zörge! (=Voor de zorgen van morgen zal morgen wel zorgen!)
  20. Munsterbilzen - Minsters: soëves bier mèt de maach, smërges watter aut de graach (='s avond geld met hopen, 's morgens geen om brood te kopen)
  21. Bilzers: wae snaags geet vésse, moet smërges zen nétte dreige (='s avonds niet er in, 's morgens niet er uit)
  22. kortemarks: up ne koele matin (=op een morgen)
  23. Bilzers: mürge kump nochne daog (=zorgen zijn voor morgen)
  24. Munsterbilzen - Minsters: mürge ès nog ne daog bau-op niemes gewürk hèt (=wat morgen aanbiedt, zien we dan wel weer)
  25. Munsterbilzen - Minsters: vër de zörge van mörge, zal mörge wol zörge (=morgen zien we weer wel !)
  26. Munsterbilzen - Minsters: da zien ver dan wol, zaachte blinne (=zorgen voor morgen komen altijd één dagte vroeg)
  27. Kinrooi: Stèltj neet oet tot mörge waat gae vandaag door 'nen angere kóntj laote doon! (=Stel niet uit tot morgen wat je vandaag door een andere kan laten doen!)
  28. Eys: De vèrreke va huuj zunt te sjnietsele van mörrege! (=De varkens van vandaag zijn de schnitzels van morgen)
  29. Brabants: As ge slaopt de ge lacht, dan ben de mergevruug blij (=Wie lachend slaapt, is de volgende morgen ook blij)
  30. Tilburgs: Witte gij d'n Heuvel? Kende mergen beginnen! (=Ken jij de Heuvel? kan je morgen beginnen!)
  31. Munsterbilzen - Minsters: koëme vër ter vendaog nie, dan esset vür mörge (=morgen komt nog een dag)
  32. Vechtdals: Maakt oe over morn gien zörngn. (=Maak je geen zorgen voor de dag van morgen)
  33. Genneps: De daag kómme op um rij (=Rustig aan, morgen is er weer een dag)
  34. Rotterdams: As as meel was en stront stroop dan aten we morgen pannekoeken (=Als)
  35. Heusdens: ast meurege nie bieeteris gunich ne dendoktoer (=als het morgen niet beter gaat,ga ik naar de huisarts)
  36. Dongens: Hoe laot iest? - Kwart vur ut knèènegat mèrege gaot ie keutele (=Hoe laat is het? - Kwart voor het konijnengat, morgen gaat hij keutelen)
  37. Twents: a kop in't kusse kop in't stro. Tot morn vroo (=Het hoofd in het kussen het hoofd in de stro tot morgen mijn vriend)
  38. Munsterbilzen - Minsters: pak ten daog waaj ter kump (=het leven wordt één kruisweg als je spijt krijgt van gisteren en angst voor morgen)
  39. Munsterbilzen - Minsters: doet nie vendaog woste mörge ook kons doen (=zorgen voor morgen komen altijd één dag te vroeg)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen