Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


131 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `moe`

  1. 't moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  2. aalmoezen geven verarmt niet (=van een aalmoes te geven wordt men zelf niet armer)
  3. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  4. Aan een oud dak moet je veel herstellen (=Verouderde zaken vergen nu eenmaal onderhoud)
  5. al moesten de kraaien het uitbrengen (=ooit wordt de zaak bekend)
  6. alle mensen moeten leven (=gun de anderen ook wat)
  7. alles komt uit al moesten de kraaien het uitbrengen (=de waarheid komt altijd uit)
  8. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  9. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  10. barbertje moet hangen (=ongeacht of iemand schuldig is moet die gestraft worden)
  11. bij moeders pappot (=thuis)
  12. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  13. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  14. daar helpt geen lievemoederen/moedertje lief aan (=niets helpt, ook vriendelijke woorden niet)
  15. daar moet de schoorsteen van roken (=dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan)
  16. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  17. dat geeft de burger weer moed (=dat doet goed)
  18. dat moet je niet uitpoetsen/uitvlakken (=dat is ernstiger dan het lijkt)
  19. de jongste ezel moet het pak dragen (=de jongste moet de vervelende klusjes opknappen)
  20. de lange weg maakt een moede man (=een langdurige ziekte leidt tot uitputting)
  21. de moed in de schoenen doen zinken (=wanhopig worden en de moed verliezen)
  22. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  23. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)
  24. die het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen)
  25. die snaar moet men niet aanroeren (=daarover moet niet gesproken worden)
  26. een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het water, in de boter of kookvocht en in de wijn)
  27. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  28. Een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=Je moet werken om te kunnen eten en kleding te kunnen kopen.)
  29. Een paard met een zachte mond moet men met zachte toom besturen. (=Zachtaardige mensen moet men niet streng behandelen)
  30. een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
  31. er geen tekeningetje bij moeten maken (=het is overduidelijk)
  32. eraan moeten geloven (=of iemand wil of niet, het moet toch gebeuren)
  33. het harde woord moet eruit (=het onaangename moet gezegd worden)
  34. het is daar armoe troef (=daar heerst grote armoede)
  35. het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
  36. het moeras insturen (=de verkeerde richting op sturen)
  37. het moet uit de lengte of uit de breedte komen (=het moet hoe dan ook uitgespaard worden)
  38. het moet zo tussen neus en lippen gebeuren (=het moet bijna ongemerkt gebeuren)
  39. Het paard moet tot de kribbe komen. (=Wie belang heeft bij een zaak moet er zelf op uit gaan)
  40. het staat geschreven en gedrukt je moet krabben waar het jeukt (=problemen bij de bron aanpakken)
  41. Hij moet droog brood eten. (=Hij moet erg zuinig zijn, het gaat hem financieel slecht.)
  42. hoogmoed komt voor de val (=iemand die erg trots is of hoogmoedig, krijgt gauw de bijbehorende ellende)
  43. ieder moet zijn eigen kruis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verwerken)
  44. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zich afvragen of hij zelf schuldig is)
  45. Iedereen moet zijn last dragen (=Ieder heeft zijn problemen)
  46. iets met de moedermelk binnenkrijgen (=iets leren in de eerste levensjaren)
  47. in een moeilijk parket zitten (=moeilijkheden hebben)
  48. in het moeras zitten (=moeilijkheden hebben)
  49. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
  50. je moet een gegeven paard niet in de mond kijken (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopjes)

342 betekenissen bevatten `moe`

  1. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: Alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  2. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  3. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  4. het gelag betalen (=alle kosten moeten betalen terwijl ook anderen er schuld aan hebben)
  5. het hart in de schoenen zinken (=alle moed en hoop verliezen om problemen op te lossen)
  6. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  7. voor niets gaat de zon op (=alles kost geld en/of moeite)
  8. komt men over de hond, dan komt men over de staart (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf)
  9. als de herder verdwaalt dolen de schapen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  10. mal moertje mal kindje (=als de moeder te veel toegeeft zal het kind niet deugen)
  11. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  12. de kat de bel aanbinden (=als eerste een begin maken aan iets moeilijks (een lastige klus of een ingewikkeld gesprek))
  13. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  14. het is maar een weet (=als het eenmaal bekend is, is het niet moeilijk meer)
  15. eens gezegd, blijft gezegd (=als iemand iets belooft moet die dat ook uitvoeren)
  16. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  17. wie a zegt moet ook b zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken)
  18. wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoen)
  19. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  20. wie zwijgt, stemt toe (=als je het ergens niet mee eens bent, moet je het zeggen)
  21. Men kan geen paard al lopende beslaan. (=Als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  22. belofte maakt schuld (=als je iets beloofd hebt moet je dat ook nakomen)
  23. wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
  24. een man een man, een woord een woord (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden)
  25. jong te paard, oud te voet (=als je in je jeugd erg wordt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  26. veel varkens maken de spoeling dun (=als je met veel bent, moet je ook met veel delen)
  27. de liefde kan niet van één kant komen (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  28. Een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=Als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
  29. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  30. Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=Bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  31. nood breekt wet (=bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd)
  32. op je laatste benen lopen (=bijna niet meer kunnen van vermoeidheid)
  33. goede raad is duur (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
  34. onder de mensen komen (=buitengaan , mensen ontmoeten)
  35. het is daar armoe troef (=daar heerst grote armoede)
  36. daar zit 'em de kneep/knoop (=daar zitten de moeilijkheden/problemen)
  37. die snaar moet men niet aanroeren (=daarover moet niet gesproken worden)
  38. dat is iemand met een gebruiksaanwijzing (=dat is iemand waarvan je weet hoe je met diegene om moet gaan)
  39. dat heeft nogal wat voeten in de aarde (=dat is moeilijk te realiseren)
  40. dat is andere peper (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  41. dat is andere tabak (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  42. iets op je lever hebben (=dat je nog iets wilt uiten, dat er iets is dat je heel erg dwars zit en dat gezegd moet worden)
  43. daar moet de schoorsteen van roken (=dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan)
  44. olie op de golven gieten/gooien (=de gemoederen kalmeren)
  45. voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
  46. de jongste ezel moet het pak dragen (=de jongste moet de vervelende klusjes opknappen)
  47. de lip laten hangen (=de moed opgeven, pruilen)
  48. fris gewaagd is half gewonnen (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
  49. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  50. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)

Het dialectenwoordenboek kent 234 spreekwoorden met `moe`

  1. Bilzers: de mismoêd hèbbe (=moedeloos zijn)
  2. Veurns: lokketette doen (=De moederborst krijgen)
  3. Genneps: Hij zit bij moet op de slup (=moederkindje)
  4. Genneps: kieke alsof hij ziene lètste keutel geschéte hèt (=Verloren, en moedeloos zijn)
  5. helmonds: Allie moeder hengt nie an oew krois (=moeders kindje)
  6. Brakels: ij èngt nog oan zij moejers rok'n (=hij blijft een moederskind)
  7. Waregems: ellee couroaizje! (=houd moed!)
  8. Ninoofs: ge moedj a piet'n (=je moet correct spelen)
  9. Sint-Niklaas: ei moeft nie (=hij zegt niets)
  10. Sint-Niklaas: moederkeszalf (=een klein kind met speeksel van moeder inwrijven)
  11. Flakkees: Un superpertje doewe bie moeders (=Bij je moeder een avondmaaltje eten)
  12. Westerkwartiers: de moed zakt heur ien 'e schoen'n (=zij laat de moed zakken)
  13. Hulshouts: Mojenoks en berrevits dé de bemme schesse up schiëve schoverdane (=moedernaakt en blootvoets door de beemden lopen op schuine schaatsen)
  14. Volendams: moe'kòòk èh (=dat wil ik ook wel hebben)
  15. Steenwijks: de lippe laoten 'angen (=de moed opgeven)
  16. Bilzers: téssem én zen sjoën gezak (=de moed verliezen)
  17. Westerkwartiers: hol de kop d'r veur !! (=houd moed !!)
  18. Neerpelts: mè door (=laat de moed niet zakken)
  19. Gronings: kop d'r veur holl'n (=moed houden)
  20. Zottegems: Go nor uis, manneken, ou moedre ee siepers gebakken op de koolschuppe (=Ga naar huis jongen uw moeder heeft pannekoeken gebakken op de kolenschop)
  21. Bilzers: tlotte hange (=de moed opgeven)
  22. Bilzers: de mismoêd èn krijge; 't lotte hange (=de moed verliezen)
  23. Denderleeuws: corrogge onder de sosje (=moed hebben)
  24. Ninoofs: Veel korrozje onder de sozje! (=Veel moed!)
  25. Oudenbosch: daor is gin moederke lieve aon te doen (=daar helpt niets tegen)
  26. Westerkwartiers: dat moe'n ze iendamm'm (=daaraan moeten ze een halt toeroepen)
  27. Sint-Niklaas: nô moeft ei nie (=nu is hij stil en zegt niets)
  28. Hillegem: Asge moet kaken moede kaken (=iets wat dringend is moet je doen)
  29. Gents: veur em schept God den dag en moed'r schept de soepe (=iemand die simpel is van geest)
  30. Westerkwartiers: olle boom'n moe'je niet meer verpoot'n (=oude mensen moet je niet meer verkassen)
  31. Westerkwartiers: zij let de oorn hang'n (=zij heeft de moed verloren)
  32. Munsterbilzen - Minsters: de kop (erm) lotte hange (boemele) (=de moed verliezen)
  33. Westerkwartiers: hij was lamsloag'n (=hij had al zijn moed verloren)
  34. Oudenbosch: hij zit daor ok mar moederziel aleene (=hij woont erg afgelegen)
  35. Opglabbeeks: ich kos ieder bieke es lache (=de moed bijna opgeven)
  36. Helmonds: ons moeder zijn vogeltje (=moeder)
  37. Kortrijks: jis zn slag of (=hij is moe...)
  38. Zeeuws: voe pampus lihhen (=moe zijn)
  39. Gents: oade boove zijt breng maan sletse mee, oade bove zaat moede nekier zwoaie (=iemand die in zijn neus peutert)
  40. Hansbeeks: ij ee een arte nodde moedn kraukn (=hij heeft een harde noot moeten kraken)
  41. Lebbeeks: bedde: Dad oët 't bedde klapt, es 't moeg (=Wie te vaak over zijn liefdesleven praat, is het beu)
  42. Zeeuws: k bin zo haar as beuter (=moe)
  43. Westlands: an je endje weze (=moe zijn)
  44. Bilzers: hae lit 't hange (=hij geeft de moed op)
  45. Zottegems: 't es nen karaudzigen (=iemand die veel moed heeft)
  46. Wesdurps: ei e ge'e karaoge mi'er (=hij heeft geen moed meer)
  47. Antwerps: zewieretbeu (=ze was het moe)
  48. Wommersoms: poemp af zen (=moe zijn)
  49. Gents: roaste wa moede gei koste, k' goa eu kieze veur achter mein kiekes te luupe (=een roodharig persoon)
  50. Westerkwartiers: 'n geev'm peerd moe'j niet ien 'e bek kiek'n (=een gegeven paard moet je niet in de bek kijken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen