Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

21 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `breken`

  1. de ontbrekende schakel (=iets dat nog mist om iets compleet te maken)
  2. de ouderdom komt met gebreken. (=als je ouder wordt ga je vanalles mankeren)
  3. de staf over iets/iemand breken (=iets/iemand afkeuren)
  4. een fles de nek breken (=uitdrinken)
  5. een lans breken voor (=het opnemen voor)
  6. een lans breken voor iemand (=het voor iemand opnemen, voor iemand de best doen diegene ergens mee te helpen iets te verkrijgen)
  7. een potje kunnen breken (bij iemand) (=iemand wordt niet gauw boos)
  8. ergens een potje kunnen breken (=ergens graag gezien zijn)
  9. het ijs breken (=een gesprek op gang brengen)
  10. hij kan een potje bij hen breken. (=van hem wordt veel getolereerd.)
  11. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  12. ijzer met handen breken (=het onmogelijke doen)
  13. je kan geen omelet maken zonder eieren te breken. (=om iets te bereiken moet je kosten maken of moeite doen)
  14. kunnen maken en breken (=er veel macht over hebben)
  15. men kan geen ijzer met handen breken (=men kan het onmogelijke niet doen)
  16. men kan geen omelet maken zonder eieren te breken. (=soms moet men iets verliezen om een hoger doel te bereiken.)
  17. met iemand breken (=met iemand niet meer verder werken, leven)
  18. op het appel ontbreken (=niet aanwezig zijn)
  19. ouderdom komt met gebreken. (=letterlijk)
  20. zich het hoofd breken over iets. (=trachten een antwoord te vinden op een moeilijke vraag.)
  21. zuur opbreken (=ergens mee in moeilijkheden komen (later))

11 betekenissen bevatten `breken`

  1. het tafellaken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
  2. liefde is blind. (=door verliefdheid de gebreken van een ander niet zien)
  3. wel de splinter in het oog van de ander zien, maar niet de balk in het eigen oog. (Mattheüs 7:3-5) (=iemand anders wel bekritiseren, maar eigen gebreken niet opmerken.)
  4. soldaat maken (=iets aanbreken en volledig op maken)
  5. iets over het hoofd zien (=iets vergeten of ontbreken)
  6. ruiten tikken (=inbreken)
  7. geen vlees zonder been (=niets zonder gebreken)
  8. in de rede vallen (=onderbreken , het woord ontnemen)
  9. de kap op de tuin werpen (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
  10. de kap over de haag smijten (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
  11. een lelijke pijp roken (=zuur opbreken)

Het dialectenwoordenboek kent 7 spreekwoorden met `breken`

  1. Sint-Niklaas: talvendeur doen (=in twee delen (breken))
  2. Bilzers: zen kniëk braeke (=zijn botten breken)
  3. Westerkwartiers: 't ies is brook'n (=breken - het ijs is gebroken)
  4. Sint-Niklaas: iets talvendeur doen (=iets in twee gelijke stukken uiteendoen (breken); iets in twee stukken snijden)
  5. Sint-Niklaas: een ei klutsen (=een ei breken en in een kommetje roeren)
  6. Twents: oe kan geen omelette bak'n zonder het ei te brek'n (=je kan geen omelet bakken zonder het ei te breken)
  7. Hulsters (NL): Al op un ouwejaorsavend, toen sloogh dun bakker zun waif, al mee un ete knuppel de velle van eur laif, ut waif dat wou nie soreke, de knuppel, die wouw nie breken, de knuppen, die brek ut waif, da sprak, o, wa rara dingen zain dat. wa zullewe dun bak (=liedje met Oudjaar)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen