Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

2 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `manne`

  1. iets mannetje voor mannetje doen (=iets strikt volgens plan uitvoeren)
  2. zijn mannetje kunnen staan (=zich goed kunnen verdedigen)

2 betekenissen bevatten `manne`

  1. Snotterige veulens worden de gladste paarden. (=Kwajongens die nergens voor lijken te deugen, worden vaak flinke mannen)
  2. zeeman geen man (=zeemannen zijn heel vaak van huis en daarom minder als echtgenoot geschikt)

Het dialectenwoordenboek kent 47 spreekwoorden met `manne`

  1. Mestreechs: maan, menneke / manne (=man, mannetje / mannen)
  2. Bilzers: de plezantste toeres ? (=interessant manneke !)
  3. Bilzers: manne blijve toch altijd kénder, mér hun spiëlgoed wiëd almër dierder... (=mannen zijn als kleine kinderen)
  4. Antwerps: onnoezel manneke (=idioot)
  5. Zeeuws: Piewurm (=Klein mager mannetje)
  6. Hams: tes aa goe manneken (=stop er nu maar mee)
  7. Oudenbosch: aoch aoch mannekus toch (=jonge jonge)
  8. Aspers: ne moageren deinie (=een mager mannetje)
  9. Oudenbosch: ze-g ta wel vrouke / manneke (=dat is zeker waar)
  10. Nunspeets: A-j 's avens vissen willen, mu-j 's mannens de netten dreugen (=Tijdig je regelingen treffen)
  11. Munsterbilzen - Minsters: tès zjus ne kaurknaop (='t is precies een braaf manneke)
  12. Booms: E zit boa mannekes (=hij is in de middelbare school van Boom)
  13. Sint-Niklaas: kgon ies kijken of dak nog een manneken ben (=ik ga naar het w.c.)
  14. Sint-Niklaas: das 't manneken (=dat is het beste, dat is goed)
  15. Leefdaals: ne keepedau (=geen al te snugger persoon (mannelijk))
  16. Zwevegems: Pertil... (=Wordt honend gezegd over een mannelijk persoon.)
  17. Zeeuws: Die is nog nat achter z'n ôôren (=Het is nog maar een jong mannetje, een beginneling)
  18. Oudenbosch: wa zijddun manne nallemaol (=niet te geloven !)
  19. Liedekerks: Da siede vanie (mannelek) of Gauëi etntj goedop (vravelek) (='iets' wat we niet willen doen)
  20. Willebroeks: aa manne (=Een oud koppel)
  21. Ninoofs: manne klakker ès gebèst'n (=ik ben verbouwereerd)
  22. Helmonds: BENDE GAJ HOOMOO OF WA! ! (=Valt u op mannen)
  23. Oudenbosch: ij lao zuneige nie ondersneeuwe (=hij staat zijn mannetje wel)
  24. Oudenbosch: diejis allang alwir uit de kleine manne (=de middelbare leeftijd naderend)
  25. Oudenbosch: ij zit nog in de kleine manne (=zijn kinderen zijn nog jong)
  26. Bilzers: ze zitte nog én de kleen manne (=ze hebben nog kleine kinderen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: ver zin allang autte kleen manne (=we komen stilaan op ouderdom)
  28. Munsterbilzen - Minsters: ze howe en slon, soëves ès alles gedon (=een vrouw kan zeker haar mannetje staan, als ze wil)
  29. Rillaars: z'n devoeëre doen (=zijn plicht doen (meestal - hoewel niet uitsluitend - wordt de mannelijke echtelijke plicht bedoeld, bv.: Z' hij t'm loate zitte, 'm zal z'n devoeëre nie goe gedoan hemme zekers.))
  30. Oudenbosch: zemme de manne van de schouw gespeult (=er is luidruchtig en lang feestgevierd)
  31. Bilzers: vrolaaj haate van simpel zaoke, bevürbeeld van manne (=van vrouwegedachten en winternachten kan je vanalles verwachten)
  32. Oudenbosch: ut manneke waar op ut raom geklomme (=de kleuter was op de vensterbank geklommen)
  33. Oudenbosch: kektie manne daor toch (=kijk eens wat zij aan het doen zijn)
  34. Tilburgs: hout op hout zaogt nie! (=mannen behoren elkaar niet te kussen.)
  35. Zottegems: Go nor uis, manneken, ou moedre ee siepers gebakken op de koolschuppe (=Ga naar huis jongen uw moeder heeft pannekoeken gebakken op de kolenschop)
  36. Oudenbosch: as m n taante n manneke waar gewiest dan waarut m n oom (=als dat anders was geweest)
  37. Hulsters (NL): gha naor 'uis, manneke, oew moeder è viskes gebakken! (=ga naar huis, donder op!)
  38. Oudenbosch: kijk da doede gij zo manneke (=zal ik jou dat eens voordoen ?)
  39. Munsterbilzen - Minsters: èn de siëvetiger joeëre wor Bilze te kleen vër de jazz-manne (=Bilzen werd in de jaren zeventig overrompeld door de festivalgangers)
  40. Munsterbilzen - Minsters: tés mèr waajste dat bezies (=vrouwen letten op detailles, mannen op de tailles)
  41. Zuid-west-vlaams: ollene peird en karre is ter nog nie overgereden (=een vrouw die met meerdere mannen geweest is)
  42. Liedekerks: Tes nen dwauël of Tes ne sleip (=Iemand die al verschillende mannen had)
  43. Bilzers: de natuur éster vër gezien te wiëne (=vrouwen letten op details, mannen op de taille)
  44. Bilzers: da pakmech op menen ojem (=de kleding van een vrouw past perfect als het de mannen de adem afsnijdt)
  45. Kinrooi: Dao zeen manskaerels diej ein wolk van ein vrouw höbbe. Es diej dus ins weg is sjientj de zón! (=Er zijn mannen die een wolk van een vrouw hebben. Wanneer die dus weg is schijnt de zon!)
  46. Fries: De bealch der op mannen! (=Het lichaam er op!)
  47. Gavers: De kolieren van Goavre (het woord is afkomstig van mannen die hemden droegen met stijve boorden) (=Gaverlingen (burgerij))

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen