Spreekwoorden met `luis`

Zoek

20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `luis`

  1. als een luis in iemands pels zijn (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken)
  2. als een luis op een teerton (=vorderen als een luis op een teerton: niet opschieten)
  3. dat is een rijkeluiswens (=iets waar heel erg naar wordt verlangd)
  4. door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  5. een leventje als een luis op een zeer hoofd (=een heerlijk leventje)
  6. er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich al over het minste op)
  7. iemand een luis in de pels zetten (=iemand last bezorgen)
  8. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  9. in geen kerk of kluis komen (=niet godsdienstig zijn)
  10. in het oor fluisteren (=zachtjes (heimelijk) zeggen)
  11. je oor te luisteren leggen (=informeren)
  12. je sluis openzetten (=een grote mond zetten)
  13. luisteren als een vink (=erg gehoorzaam zijn)
  14. luisteren naar groeien van het gras (=erg lui zijn)
  15. naar het lek luisteren (=niets doen)
  16. niet pluis zijn (=iets is er niet in orde)
  17. vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opschieten)
  18. wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)
  19. zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)
  20. zo veeg als een luis op een kam (=in groot gevaar verkerend)

30 betekenissen bevatten `luis`

  1. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
  2. het oor scherpen/spitsen (=aandachtig luisteren)
  3. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  4. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  5. men heeft daar latten op het dak (=daar wordt afgeluisterd)
  6. een Babylonische spraakverwarring (=door elkaar spreken zonder naar elkaar te luisteren en elkaar niet verstaan)
  7. de muren hebben oren (=er kan ongewenst worden meegeluisterd door anderen)
  8. er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt)
  9. geen oren hebben naar iets (=ergens niet naar willen luisteren)
  10. de oren spitsen (=goed luisteren)
  11. de oren scherpen (=goed luisteren)
  12. geheel oor zijn (=heel goed opletten - goed luisteren)
  13. iemand iets in het oor bijten (=iemand iets op bitsige wijze influisteren)
  14. geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd (=in tegenstelling tot vreemden, zijn mensen uit je woonplaats minder bereid te luisteren)
  15. in het ootje (=influisteren)
  16. het oor lenen (=luisteren)
  17. te woord staan (=luisteren naar en bereid zijn te spreken met)
  18. met een half oor (=maar half luisterend)
  19. voor stoelen en banken praten (=maar weinigen die naar iemands verhaal luisteren)
  20. iets in de wind slaan (=naar een advies niet naar luisteren)
  21. iemand te woord staan (=naar iemand luisteren en uitleg geven)
  22. iemand gehoor geven (=naar iemand luisteren, gevolg geven aan zijn vraag)
  23. een roepende in de woestijn zijn (=niemand die naar je wil luisteren (bij raad/waarschuwingen))
  24. horende doof zijn (=niet luisteren)
  25. iemands geluid niet horen (=niet naar iemand willen luisteren)
  26. als een luis op een teerton (=vorderen als een luis op een teerton: niet opschieten)
  27. het ene oor in en het andere weer uit. (=wel horen maar niet luisteren)
  28. wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)
  29. wie niet horen wil, moet voelen (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
  30. wie naar zijn moeder en vader niet hoort moet het kalfsvel volgen (=wie niet naar zijn ouders luistert, moet soldaat worden)

7 dialectgezegden bevatten `luis`

  1. ’t Es beedre ien luis in de panne dan gien vet! (=Beter iets klein dan helemaal niets.) (Evergems)
  2. da schild en luis op ne pletskop (=dat scheelde geen haar) (Melseels)
  3. erm luis (=arme mens) (Wolvertems)
  4. gin luis ebbe om dood te trappe (=doodarm zijn) (Oudenbosch)
  5. hij het een leven as een luis óp een zeer hoëfd (=hij heeft een goed leven) (Huizers)
  6. Zo aarm as een luus (=Zo arm als een luis) (Giethoorns)
  7. zoe eirm zin as een luis (=zeer arm zijn) (Sint-Niklaas)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen