20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `luis`
- als een luis in iemands pels zijn (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken)
- als een luis op een teerton (=vorderen als een luis op een teerton: niet opschieten)
- dat is een rijkeluiswens (=iets waar heel erg naar wordt verlangd)
- door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
- een leventje als een luis op een zeer hoofd (=een heerlijk leventje)
- er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich al over het minste op)
- iemand een luis in de pels zetten (=iemand last bezorgen)
- iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
- in geen kerk of kluis komen (=niet godsdienstig zijn)
- in het oor fluisteren (=zachtjes (heimelijk) zeggen)
- je oor te luisteren leggen (=informeren)
- je sluis openzetten (=een grote mond zetten)
- luisteren als een vink (=erg gehoorzaam zijn)
- luisteren naar groeien van het gras (=erg lui zijn)
- naar het lek luisteren (=niets doen)
- niet pluis zijn (=iets is er niet in orde)
- vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opschieten)
- wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)
- zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)
- zo veeg als een luis op een kam (=in groot gevaar verkerend)
30 betekenissen bevatten `luis`
- aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
- het oor scherpen/spitsen (=aandachtig luisteren)
- aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
- als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
- men heeft daar latten op het dak (=daar wordt afgeluisterd)
- een Babylonische spraakverwarring (=door elkaar spreken zonder naar elkaar te luisteren en elkaar niet verstaan)
- de muren hebben oren (=er kan ongewenst worden meegeluisterd door anderen)
- er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt)
- geen oren hebben naar iets (=ergens niet naar willen luisteren)
- de oren spitsen (=goed luisteren)
- de oren scherpen (=goed luisteren)
- geheel oor zijn (=heel goed opletten - goed luisteren)
- iemand iets in het oor bijten (=iemand iets op bitsige wijze influisteren)
- geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd (=in tegenstelling tot vreemden, zijn mensen uit je woonplaats minder bereid te luisteren)
- in het ootje (=influisteren)
- het oor lenen (=luisteren)
- te woord staan (=luisteren naar en bereid zijn te spreken met)
- met een half oor (=maar half luisterend)
- voor stoelen en banken praten (=maar weinigen die naar iemands verhaal luisteren)
- iets in de wind slaan (=naar een advies niet naar luisteren)
- iemand te woord staan (=naar iemand luisteren en uitleg geven)
- iemand gehoor geven (=naar iemand luisteren, gevolg geven aan zijn vraag)
- een roepende in de woestijn zijn (=niemand die naar je wil luisteren (bij raad/waarschuwingen))
- horende doof zijn (=niet luisteren)
- iemands geluid niet horen (=niet naar iemand willen luisteren)
- als een luis op een teerton (=vorderen als een luis op een teerton: niet opschieten)
- het ene oor in en het andere weer uit. (=wel horen maar niet luisteren)
- wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)
- wie niet horen wil, moet voelen (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
- wie naar zijn moeder en vader niet hoort moet het kalfsvel volgen (=wie niet naar zijn ouders luistert, moet soldaat worden)
7 dialectgezegden bevatten `luis`
- ’t Es beedre ien luis in de panne dan gien vet! (=Beter iets klein dan helemaal niets.) (Evergems)
- da schild en luis op ne pletskop (=dat scheelde geen haar) (Melseels)
- erm luis (=arme mens) (Wolvertems)
- gin luis ebbe om dood te trappe (=doodarm zijn) (Oudenbosch)
- hij het een leven as een luis óp een zeer hoëfd (=hij heeft een goed leven) (Huizers)
- Zo aarm as een luus (=Zo arm als een luis) (Giethoorns)
- zoe eirm zin as een luis (=zeer arm zijn) (Sint-Niklaas)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen