Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


14 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `koud`

  1. bang zijn zich aan koud water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  2. dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring))
  3. dat raakt mijn koude kleren niet (=ergens niets mee te maken hebben en zich niet voor interesseren)
  4. ergens heet noch koud van worden (=zich nergens iets van aantrekken)
  5. Eten dat je zweet en werken dat je het koud krijgt, dat zijn de waren. (=Slecht personeel. Uit de tijd dat meiden en knechts bij de boer in de kost waren.)
  6. het laat mij Siberisch koud (=het interesseert me totaal niet)
  7. iemand een koud bad geven (=iemand kalmeren , illusies ontnemen)
  8. iets langs je (koude) kleren af laten glijden (=ergens niets van aan trekken)
  9. iets niet koud laten worden (=ergens onmiddellijk op ingaan)
  10. iets zo beu zijn als koude pap (=iets grondig beu zijn)
  11. ijskoud zijn gang gaan (=zich nergens van aantrekken)
  12. Nog geen koude aardappel waard zijn (=Weinig waard zijn)
  13. van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  14. zo koud als een kaalgeschoren schaap (=heel erg koud)

5 betekenissen bevatten `koud`

  1. in zijn kraag duiken (=de kraag hoog opzetten tegen de koude)
  2. zo koud als een kaalgeschoren schaap (=heel erg koud)
  3. verkleumen tot op het bot (=het heel koud krijgen)
  4. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  5. vissenbloed hebben (=koudbloedig zijn, weinig gevoel hebben, niet gauw koud hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 69 spreekwoorden met `koud`

  1. Venloos: d'n klets kriegen (=koudje vatten)
  2. Sint-Niklaas: twurd allangsom kaar (=het wordt stilaan kouder)
  3. Snekers: Tis savons kouwer dan buten (=Het is 's avonds kouder dan buiten)
  4. Tegels: kaaje heng (=koude handen)
  5. Westfries: Wie koud is is lui! (=koud? Hoezo koud?)
  6. Fries: 'it is jûns kâlder os bûten, it skeelt in himt (=Het is s'avond's kouder dan buiten, het scheelt een hemd)
  7. Zeeuws: soeg tis koud buutn (=koud)
  8. Herentals: tis kaat (=het is koud)
  9. Noorderkempisch: dekouwei (=De koude Heide)
  10. Bilzers: het ès ne pit kaaër as gistere (=het is kouder dan gisteren)
  11. Tegels: kaai heng (=koude handen)
  12. brabants: kauw voet (=koude voeten)
  13. Mestreechs: de sjevraoije laope mieg langs miene rögk (=koude rillingen hebben)
  14. Bilzers: tsjoech, 't es kaat (=bah, 't is koud)
  15. Sinttruins: Soech (=brr, ik heb koud)
  16. Diesters: tes braa kou (=het is vrij koud)
  17. Tilburgs: es iest kausse bausse (=het is koud buiten)
  18. Bilzers: as de doëch lenge geet de wênter strenge (=als de dagen lengen wordt het kouder)
  19. Kalforts: met Kalfort kermis zit de winter in Coolhemdreef (=de zomer is voorbij, het wordt stilaan kouder)
  20. Hulshouts: Da vergrezelle kik nij van se (=Ik krijg er koude rillingen van)
  21. Tilburgs: ut bluujke heej kaaw vuutjes (=het kindje heeft koude voetjes)
  22. Sevenums: kaojen duuej is gewissen duuej (=een koude dooi is een zekere dooi)
  23. Lichtervelds: kee dn doavroare (=ik heb koude rillingen)
  24. Liwwadders: gloepende koud (=heel erg koud)
  25. Slands: Ti's huvvurug (=koud buiten)
  26. kortemarks: tis up een oande dat rint (=het laat hem koud)
  27. Hals: Woo aa Mee braa kaa? (=Waar had Marie het erg koud?)
  28. Westerkwartiers: ze is 'n echte koldkleum (=zij heeft het snel koud)
  29. Lichtervelds: tis bièèstekoed (=het is erg koud)
  30. Holsbeeks: tes braa kuit (=het is redelijk koud)
  31. Loois: 'k hem kijjef (=ik heb het koud)
  32. Haarlems: ik zit te ralibalen hiero (=ik heb het koud)
  33. Sallands: Van 'n kaole karmse thuus kommen. (=Van een koude kermis thuis komen.)
  34. Koersels: dunne wind (=koude wind op een zonnige dag)
  35. Oudenbosch: da schil ne jas mee giestere (=vandaag is het een stuk minder koud dan gisteren)
  36. Dilbeeks: Mee aa braa kaa (=Mieke had het bijzonder koud)
  37. Herns (Herne, VL-B): 't keltj (=het is koud)
  38. Westlands: ze graipe naar je (=Het is koud buiten.)
  39. Liedekerks: 'K vergezel van de kaa (=Ik heb het koud)
  40. Munsterbilzen - Minsters: das mich sjijtegaol (=dat laat me koud)
  41. Zichers: sjoech, tes kaat (=brrrr, 't is koud)
  42. Hals: Mee aa kaa (=Marie had het koud)
  43. Opwijks: a melk optrekke (=het koud hebben)
  44. Antwerps: 'k em kaa (=ik heb het koud)
  45. Mestreechs: iech staon te razelle (=ik heb het koud)
  46. Liwwadders: blauwbekke (=heel erg koud hebben)
  47. Opglabbeeks: dè hêt kwakkerteblood (=nooit koud hebben)
  48. West-Vlaams: de kiekens zitten deurn droad / 't is punaisekermesse (=de tepels steken uit ten gevolge van de koude)
  49. Tegels: Ut is naat, kaad en sjuverechtig [weer] (=Het is nat, koud en rillerig [weer])
  50. Aarschots: Ik hem braa kaa oep de braa (=Ik heb het zeer koud op de stoep)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen