Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `heer`

  1. een raadsheer met een p (=raadsheer met p is praatsheer, men heeft er niet veel aan)
  2. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met woorden)
  3. gevulde heer (=rond zandgebak)
  4. het heertje zijn (=in zijn nopjes zijn)
  5. hoer en tollenaar zijn onze lieve heer ook dierbaar (=hoe slecht je afkomst is, God houdt van je)
  6. onze Lieve heer heeft rare/vreemde kostgangers. (=er bestaan nu eenmaal merkwaardige mensen.)
  7. onze lieve heer is aan het kegelen (=het onweert)
  8. zo heer zo knecht (=de knechten volgen het voorbeeld van de bazen)

15 betekenissen bevatten `heer`

  1. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  2. het is daar armoe troef. (=daar heerst grote armoede.)
  3. een zondagse steek houdt geen week. (=de zondag is geen werkdag maar de dag des heeren.)
  4. een leventje als een luis op een zeer hoofd. (=een heerlijk leventje.)
  5. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  6. zoals de wind waait, waait zijn jasje. (=hij gaat met de heersende mening mee of telkens van mening veranderen afhankelijk van de mensen om iemand heen)
  7. De stoppen slaan bij hem door. (=hij verliest zijn zelfbeheersing)
  8. een kind van zijn tijd (=iemand die leeft volgens de in zijn tijd heersende opvattingen)
  9. onder de duim hebben (=iets goed kunnen/beheersen / in bedwang houden / iemand de baas zijn)
  10. job krijgt op zijn kop (=kaartspel: als klaverenheer wordt afgetroefd)
  11. geen maat weten te houden. (=onbeheersd doorgaan waarmee ben begonnen is.)
  12. vloeken als een bootwerker/kartouw/ketellapper/ketter (=onbeheerst vloeken)
  13. een raadsheer met een p (=raadsheer met p is praatsheer, men heeft er niet veel aan)
  14. alle molenaars zijn geen dieven (=scheer niet iedereen over dezelfde kam)
  15. de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras. (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven.)

Het dialectenwoordenboek kent 89 spreekwoorden met `heer`

  1. Epers: Heb ze in heerde ôk bult'n in de weg ? (=hebben ze in heerde ook verkeersdrempels?)
  2. Susters: dae is neet van God de Vader (=geen gemakkelijk heerschap)
  3. Bilzers: das ne prefijtelëke (=dat is een deftig heertje)
  4. Westerkwartiers: wat 'n roare kunst'nmoaker (=wat een vreemd heerschap)
  5. Brugs: de katte zit in d' arloze (=er heerst onenigheid)
  6. Westerkwartiers: hij is op en top 'n heertje (=hij is een echte gentleman)
  7. IJmuidens: Bijna bij de heere Jezus aan tafel zitten (=Hoog in een flat wonen)
  8. Westerkwartiers: nije heer'n, nije wett'n (=nieuwe heren, nieuwe regels)
  9. Westerkwartiers: sloap'n as 'n roos (=heerlijk slapen)
  10. Westerkwartiers: hij is 't heertje (=hij kan zich financieel wel redden)
  11. Melseels: ne gekoutigen iër (=een spraakzame heer)
  12. Westerkwartiers: hij vient dat och zo heerlijk (=hij vindt dat o zo heerlijk)
  13. Waregems: ie e(s) mee zin oar, ie e(s) ter ziel' egoan, ie es ter nie mieêr, ie es bij ons heere (=hij is gestorven)
  14. Heerlens: juddetmariajoëzephulp (=hulpaanroeping)
  15. Heerlens: sjorsjenere (=schorseneren)
  16. kortemarks: tis lik een iengeltje dat up me toenge pist (=deze drank smaakt heerlijk)
  17. Heerlens: da hat de vot kirmes (=billenkoek)
  18. Heerlens: ummer get (=altijd wat)
  19. Heerlens: ing tuut beer (=glas bier)
  20. Heerlens: vamerakel houwe (=in elkaar slaan)
  21. Heerlens: kumpke boedding (=onnozele hals)
  22. Steins: Dat smaak of dich ein èngelke op de tòng pis!! (=Dat is een heerlijk drankje!!)
  23. Mestreechs: heer köp ziech 'n ieske (=hij koopt een ijsje)
  24. Westfries: je heer is in de tist (=je haar is in de war)
  25. Mestreechs: heer kraog ut sjuifke,\r\ntege un voes aon laope,\r\nheer heet ziech un plaat getik,\r\nheer heet ziech gekloet, (=hij liep een blauwtje)
  26. Heerlens: ee gemoald kriehge (=bekeuring krijgen)
  27. Heerlens: de kloëte sjoehre (=niets doen)
  28. Heerlens: lueëter iggen erm (=weinig spierkracht)
  29. Waregems: tes spel in de menoizje, 't zit 'n oar in de bootre/beutre(in Nieuwenhove), de katte zit in d'arloeizje (=er heerst ruzie binnen het huishouden)
  30. Mestreechs: heer geit neet met (=hij gaat niet mee)
  31. Westfries: Lang heer en luize! (=Commentaar op)
  32. Rotterdams: Hij is nog te lui om onze lieve heer gedag te zeggen (=lui)
  33. Mestreechs: heer, zie, häöm, heur (=hij, zij, hem, haar)
  34. Heerlens: ee heufke water (=1/2 L putwater)
  35. Heerlens: à gen zie-j (=aan de kant)
  36. Heerlens: koesj, zich gedoeks houwe (=koest houden, verstopt zijn)
  37. Heerlens: knoa botter (grote hoeveelheid is altijd gebruikelijk) (=klontje boter)
  38. Heerlens: 't sjoat oeht-hange (=erg vervelend zijn)
  39. Heerlens: ing gedekseld kriehge (=draai om de oren krijgen)
  40. Heerlens: wie geet 't? (=hoe gaat het?)
  41. Heerlens: i gen heng klatsje (=in de handen klappen)
  42. Heerlens: 't book is um-gedrage (=je bent te laat)
  43. Heerlens: juu pead, de kar hat zeek (=ik moet plassen)
  44. Heerlens: um-koome (=op bezoek komen (informeel))
  45. Heerlens: op zigkes wüëd (=vertrouwen op mondeling afgesprokene)
  46. Westfries: as heer op 'n hond (puur zo veul de witjes in Hougkarspel, as heer op 'n hond!) (=een grote hoeveelheid (bv. er wonen veel de Witten in Hoogkarspel))
  47. Mestreechs: heer/zie is unne kletskriemer-wawweleer (=hij/zij is een kletskous-zwetser)
  48. Mestreechs: kroepe, diech krups, heer krup (=kruipen, jij kruipt, hij kruipt)
  49. Mestreechs: opluufte, heer luufde 't op (=optillen, hij tilde het op)
  50. Heerlens: sjümke trekke (=aan dropwater lurken)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen