Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `thuis`

  1. Beter thuis rapen eten dan elders gebraad. (=Thuis is het altijd nog het beste.)
  2. Dat hangt als een schijthuis boven de gracht (=Dat is overduidelijk)
  3. de handen thuis houden (=niet aanraken)
  4. in hetzelfde gasthuis ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
  5. Je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=Een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  6. Je moet een paard niet doodknuppelen, voordat je thuis bent. (=Te veel haast kan wel eens vertraging opleveren)
  7. met de kous op de kop thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  8. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
  9. met een waterzeil thuiskomen (=doornat zijn)
  10. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
  11. niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen)
  12. niet thuis zijn van (=geen verstand hebben van - niet willen weten van)
  13. oost west, thuis best (=waar je ook bent, thuis voel je beter op je gemak)
  14. thuis is in je schuur (=dit wordt gezegd als je weinig thuis bent)
  15. van alle markten thuis zijn (=veel kunnen en handig zijn of veel weten)
  16. van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  17. wel thuis kunnen blijven (=het wel kunnen vergeten)
  18. zijn trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))
  19. zoals het handje thuis tost, tost het nergens (=uiteindelijk gaat er niets boven het eigen huis)
  20. zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens (=het is nergens zo goed als thuis)

23 betekenissen bevatten `thuis`

  1. het rijk alleen hebben (=alleen baas zijn, alleen thuis zijn)
  2. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
  3. thuis is in je schuur (=dit wordt gezegd als je weinig thuis bent)
  4. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
  5. een vreemdeling in Jeruzalem zijn (=ergens niet bekend zijn met de gang van zaken of zich ergens niet thuis voelen)
  6. zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens (=het is nergens zo goed als thuis)
  7. eigen haard is goud waard (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
  8. een echte huismus (=iemand die het thuis naar zijn zin heeft, geen uitgaanstype)
  9. als een vis op het droge (=iemand die zijn draai niet kan vinden of daar niet thuis hoort)
  10. `t Mag vloeien, `t mag ebben. Die niet waagt zal `t niet hebben (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen)
  11. uit de pot van Egypte eten (=nog thuis eten bij de ouders die voor je zorgen)
  12. beter rapen aan eigen dis dan elders vlees of vis (=Oost West thuis best)
  13. het paard ruikt de stal (=opschieten om gauw thuis te komen)
  14. van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  15. met de kous op de kop thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  16. bij moeders pappot (=thuis)
  17. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  18. Beter thuis rapen eten dan elders gebraad. (=thuis is het altijd nog het beste.)
  19. onder de pantoffel zitten (=thuis niets te vertellen hebben)
  20. oost west, thuis best (=waar je ook bent, thuis voel je beter op je gemak)
  21. zich als een kat in een vreemd pakhuis voelen (=zich ergens niet thuis voelen)
  22. met de klompen op het ijs komen (=zich onvoorzichtig ergens begeven waar men niet thuis hoort)
  23. zijn penaten ergens vestigen (=zich vestigen (zich ergens thuis voelen))

Het dialectenwoordenboek kent 92 spreekwoorden met `thuis`

  1. Overmeers: Zette mee den thuiswacht? (=Ben je alleen thuis?)
  2. Bilzers: goed taus ende wénd vanaater (=goed thuisreis)
  3. Tilburgs: töskoome meej niks (=zonder iets thuiskomen)
  4. Genneps: Uut de zórg zien (=Geen thuiswonende kinderen meer hebben)
  5. Graauws: van een kaole kermés thuiskommen (=tegen de lamp lopen)
  6. leeds: nor thuisken goan (=naar het toilet gaan)
  7. Zaans: voor donkers tois (=thuiskomen voordat het donker wordt)
  8. Munsterbilzen - Minsters: ich kan de dieër toch nie alléén lotte (=ik moet thuisblijven)
  9. Oudenbosch: waor ij nou mee afgekomme nis (=waar hij nu mee thuisgekomen is)
  10. Oudenbosch: zurreg dagge vor d n donkere tuis zijt (=zorg dat je thuiskomt voordat het avond wordt)
  11. Aarschots: Ha's geland (=Hij is eindelijk thuisgekomen (nadat hij ergens blijven hangen is))
  12. Zichers: bij os (=thuis)
  13. Gavers: Tonzend (=Bij ons thuis)
  14. Herks: tehurres (=bij haar thuis)
  15. Hunsels: Ane koeëj blieve (=thuis blijven)
  16. Schulens: tezennes (=Bij hem thuis)
  17. Schulens: turrest (=Bij jou thuis)
  18. Herks: tezennes (=bij hem thuis)
  19. Neerpelts: die van oas is toews (=mijn vrouw is thuis)
  20. Tiens: Dea es oup zenne zaap geweést (=Dronken thuis komen)
  21. Fries: oeral thûs (=over al thuis)
  22. Oudenbosch: d'r van laangs krijge (=thuis uitgescholden worden)
  23. Geffes: Den aard krégge {aarde] (=Zich thuis gaan voelen)
  24. Liessents: Bessem hebbe (=Alleen thuis zijn zonder ouders)
  25. Schulens: te hirrest (=Bij haar thuis)
  26. Genneps: an de toe deur kómme (=Niemand thuis treffen)
  27. Westerkwartiers: 't is naarg'ns beder as thuus (=oost west thuis best)
  28. Beerses: Oeppassen veur d'achturenmuier. (=voor het donker thuis zijn.)
  29. Sint-Niklaas: kunde mè zeigen ofda dô vodder thuis is? (=is je vader thuis?)
  30. Westerkwartiers: die is mak ien alle zeel'n (=die voelt zich overal thuis)
  31. Lichtervelds: je kwam tuus e gat in dn nacht (=hij kwam laat thuis)
  32. Westerkwartiers: zij het tuus de boksem aan (=zij is de thuis de baas)
  33. Westerkwartiers: 't is naarg'ns beder as tuus (='t is nergens beter dan thuis)
  34. Oudenbosch: ijeetur z ne lepel int rek ange (=hij is daar net of hij thuis is)
  35. Merenaars: onder de slasj liggen (=thuis niet veel te zeggen hebben)
  36. Arendonks: toois ehn sigèr smoore (=thuis op uw donder krijgen)
  37. Hoogstraats: over den eirt kome (=bij iemand thuis komen)
  38. Hulsters (NL): die zit nooit opur kot (=die is nooit thuis)
  39. Brussels: Puute van de koesj ! (=Hou je handen thuis)
  40. Mestreechs: diech keend aon hoes veule (=je thuis voelen)
  41. brabants: we hebben bessem (=onze ouders zijn niet thuis)
  42. Graauws: op de deur passen (=thuis blijven)
  43. Hulsters (NL): vór dun donkeren tuis (=voor het donker thuis)
  44. Zeeuws: je bin vroeg in de kaaie (=vroeg thuis)
  45. Lichtervelds: jis goan zjantn (=hij is niet thuis)
  46. kortemarks: jis goan oepeln (=hij is niet thuis)
  47. Tilburgs: is öllieje pâa töös (=is je vader thuis)
  48. helmonds: is allie vadder thois (=is je vader thuis.)
  49. Waregems: 'k komme zjuuste thois (=ik kom net thuis)
  50. Merenaars: 't land uit de dieven tellen (=niet thuis zijn)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen