Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


47 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kijk`

  1. achter de coulissen kijken (=de echte toestand zien (ontdekken))
  2. achter de schermen kijken (=kijken waar men normaal niet kan of mag kijken)
  3. De één mag een paard stelen, de ander mag niet over het hek kijken. (=Sommigen mogen alles, anderen mogen niets)
  4. de kat uit de boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  5. De ooievaar nakijken (=Tijd verdoen)
  6. de zaak nog eens aankijken (=nog even afwachten)
  7. door een donkere bril bekijken (=op een pessimistische manier bekijken)
  8. door het hennepen venster kijken (=opgehangen worden)
  9. Een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=Als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
  10. ergens geen kijk op hebben (=de oplossing niet zien)
  11. het nakijken hebben (=te laat in actie zijn gekomen, een ander was je voor)
  12. hij heeft schelvisogen hij kijkt als een schelvis (=hij kijkt je lodderig, dom of onbetrouwbaar aan)
  13. hij kijkt als een snoek op zolder (=hij is zeer verbaasd)
  14. hij kijkt als Jonas in de walvis (=hij zit benauwd te kijken)
  15. hij kijkt alsof hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ongelukkig (een oord is een oude munt))
  16. hij kijkt er naar uit als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=hij kijkt ergens vol verwachting naar uit)
  17. iemand met de nek aankijken (=iemand niet als volwaardig beschouwen)
  18. iemand met schele ogen aankijken (=iemand afgunstig bekijken)
  19. iemand op de vingers kijken (=steeds kijken wat iemand doet, en of die het goed doet)
  20. iemand op iets aankijken (=over een eigenschap of daad van iemand niet tevreden zijn)
  21. iemand scheef aankijken (=aan iemand zijn afkeuring laten blijken)
  22. iets met argusogen bekijken (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden)
  23. ik kijk wel uit (=dat doe ik niet, daar ben ik te voorzichtig voor)
  24. in de kijker lopen (=opvallen)
  25. in het veen kijkt/ziet men niet op een turfje (=wie rijk is let niet op een euro meer of minder)
  26. je moet een gegeven paard niet in de mond kijken (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopjes)
  27. je ogen uitkijken (=het prachtig vinden om iets te zien)
  28. kijken als een hard geschilde aardappel (=Bleek zien)
  29. kijken hoe de hazen lopen (=voorzichtig te werk gaan, eerst afwachten hoe de verhoudingen blijken te liggen)
  30. kijken of men het in Keulen hoort donderen (=heel erg verbaasd kijken)
  31. kijken of men water ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
  32. koffiedik kijken (=trachten het onbekende te kennen (de toekomst))
  33. men mag een gegeven paard niet in de bek kijken (=men mag niet klagen over de kwaliteit van iets dat men gratis krijgt)
  34. met een kennersblik bekijken (=met kennis van zaken beoordelen)
  35. met scheve ogen aankijken (=benijden, argwanend kijken)
  36. naar iets mogen kijken (=van iets moeten afblijven)
  37. niet verder zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
  38. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt)
  39. op zijn neus kijken (=teleurgesteld zijn)
  40. staan kijken als lamme/verdomde Louis (=verlegen of beteuterd staan kijken)
  41. te diep in het glaasje kijken (=te veel alcohol drinken en daardoor erg dronken zijn)
  42. uit de doppen kijken (=goed uitkijken)
  43. veel bekijks hebben (=de aandacht trekken)
  44. wie aan de weg timmert heeft veel bekijks (=iemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek)
  45. zich in de kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)
  46. zijn ogen uitkijken (=erg verbaasd of nieuwsgierig staan kijken)
  47. zuinig kijken (=teleurgesteld of verdrietig kijken)

33 betekenissen bevatten `kijk`

  1. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  2. in ogenschouw nemen (=bekijken)
  3. met scheve ogen aankijken (=benijden, argwanend kijken)
  4. de dingen op hun kop zetten (=de dingen verkeerd of omgekeerd bekijken)
  5. zoiets is monnikenwerk (=een saaie, harde, langdurige taak. / Een taak waar heel veel geduld bij komt kijken)
  6. een gezicht als een oorwurm trekken (=erg ontevreden kijken (omdat er bijv. iets gedaan moet worden))
  7. zijn ogen uitkijken (=erg verbaasd of nieuwsgierig staan kijken)
  8. uit de doppen kijken (=goed uitkijken)
  9. kijken of men het in Keulen hoort donderen (=heel erg verbaasd kijken)
  10. kijken of men water ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
  11. het is zo lang als het breed is (=het blijft hetzelfde, hoe je het ook bekijkt)
  12. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  13. hij zet er de lakense bril bij op (=hij kijkt bijzonder scherp toe)
  14. hij kijkt er naar uit als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=hij kijkt ergens vol verwachting naar uit)
  15. hij kijkt alsof hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ongelukkig (een oord is een oude munt))
  16. hij heeft schelvisogen hij kijkt als een schelvis (=hij kijkt je lodderig, dom of onbetrouwbaar aan)
  17. hij kijkt als Jonas in de walvis (=hij zit benauwd te kijken)
  18. geen oud wijf bleef aan het spinnewiel (=iedereen kwam kijken)
  19. iemand met schele ogen aankijken (=iemand afgunstig bekijken)
  20. iets op de keper beschouwen (=iets nauwkeurig bekijken)
  21. elke medaille heeft een keerzijde (=iets van twee kanten bekijken, aan iedere zaak zitten twee kanten, vaak een positieve en minder positieve kant)
  22. iets met argusogen bekijken (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden)
  23. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  24. tel uit je winst (=kijken en doen waar je het meeste voordeel bij hebt, `zie je wel!`)
  25. de balans opmaken (=kijken hoe iets verlopen is; nagaan of je ergens voordeel of nadeel van hebt gehad)
  26. achter de schermen kijken (=kijken waar men normaal niet kan of mag kijken)
  27. onder de loupe nemen (=nader bekijken, aandachtig bestuderen)
  28. iets door een gekleurde bril zien (=op een bevooroordeelde manier naar de zaak kijken)
  29. door een donkere bril bekijken (=op een pessimistische manier bekijken)
  30. iemand op de vingers kijken (=steeds kijken wat iemand doet, en of die het goed doet)
  31. zich blind staren op (=te veel naar één eigenschap kijken)
  32. zuinig kijken (=teleurgesteld of verdrietig kijken)
  33. staan kijken als lamme/verdomde Louis (=verlegen of beteuterd staan kijken)

Het dialectenwoordenboek kent 220 spreekwoorden met `kijk`

  1. Deinzes: kijk'n lijk nen uil op nen kluit (=Dom kijken)
  2. Tilburgs: kèèke òf ie kèkt en as ie kèkt nie kèèke (=kijken of hij kijkt,en als hij kijkt niet kijken)
  3. Tilburgs: gin kôopers mar laawers (=geen kopers maar kijkers)
  4. Zelzaats: kijkn lijk nen uil op ne kluit (=Verbaasd, onbegrijpend kijken)
  5. Tilburgs: kèkt tis offie kèkt en assie kèkt nie kèèke (=kijk eens of hij kijkt, en als hij kijkt,niet kijken)
  6. Oudenbosch: daor staode van te kijke nee (=daar kijk je zeker wel van op ?)
  7. Gents: lijk nen uil op ne kluit (=verbaasd kijkend)
  8. Melseels: ei is't gon zeigen, ei ee zenne kijker geloaten (=hij is overleden)
  9. Rotterdams: Je vrete uit je bek zitte kijke (=Iemand die naar je eten kijkt/ bedelen)
  10. Tilburgs: kiek is ofter kiek en aster kiek, nie kieke (=kijk eens of hij kijkt en als hij kijkt nietkijken)
  11. Oudenbosch: mee smaok naor iets kijke (=met plezier naar iets kijken)
  12. Kaatsheuvels: kèkt ies of ie kèkt en aanders nie kèke (=kijk eens of hij kijkt en anders niet kijken)
  13. Tilburgs: kikt doar nouw is keke die sgele loerie (=kijk daar nou is kijken)
  14. Schijndels: kik is of ie kikt dan moete nie kekken (=kijk eens of hij kijkt en als hij kijkt moete niet kijken)
  15. Zelzaats: Zu rap of kijkn (=Vliegensvlug)
  16. Bocholtz: kieke (=kijken)
  17. Munsterbilzen - Minsters: viël lopers gif nog geen kopers (=veel kijkers, maar geen kopers)
  18. Oudenbosch: ge mo nie so naauw kijke jong (=jij bent veel te precies)
  19. Waregems: ie stont drip te kijkn lijnk ne nond ip 'n zieke koe (=hij stond er dwaas naar te kijken)
  20. Rotterdams: kijke, voele, pleite.. (=KVP)
  21. Lokers: ij kijkter noar gelijk nen uil op ne kluit (=Hij begrijpt er niets van)
  22. Gronings: hai glimt as n honnekeudel ien duustern (=hij kijkt verheerlijkt)
  23. wijlres: doe kieks wie votverbrand (=je kijkt heel verbaasd)
  24. Zeeuws: ek wat vaai an (=kijkt [te] lang naar iemand)
  25. Venloos: Kièk ze kièke (=kijk ze kijken)
  26. Oudenbosch: khebtur mee verstaand naor zitte kijke (=gebiologeerd hebben zitten kijken naar iets nieuws)
  27. Bilzers: én zaajn ooge zienech den heile wérd (mopje : antwoord van aanbedene : zieste dan men otooke ston da gepik és) (=ach, die kijkertjes van jou)
  28. Ossies: hij zit te kijke es 'n hiete gelt die in 't stroi zêkt (=hij zit te kijken als een hete gelt die in het stro plast)
  29. Westerkwartiers: hij het 'n gezicht as 'n oorwurm (=hij kijkt zeer ontevreden)
  30. Sallands: Kiek ik oe an en ie kiekt mi-j an, dan kieke wi-j naor mekare. (=Als ik jou aankijk en jij kijkt mij aan, dan kijken we elkaar aan.)
  31. Oudenbosch: anders motte scheel kijke dan ziede't dubbel (=kunde 'tzien ?)
  32. Oudenbosch: kijke as ne duvel die wijwaoter gedronke nee (=raar opkijken)
  33. Graauws: kijk uit ouw doppen (=kijk uit)
  34. Gents: den diene zijne rugge is uuk nat als gij tschiept, zijn ien uuge zegt foert tegen tandere (=iemand die scheel kijkt)
  35. Gronings: Hai glimt as n' honnekeudel ien moaneschien (=Hij kijkt verheerlijkt)
  36. Venloos: Dae kièk wie einen boetsauto (=Hij kijkt erg verbaasd)
  37. Zeeuws: je trok un hezicht van ouwe lapn (=je kijkt sip)
  38. Munsterbilzen - Minsters: da ho(ch) viël bekieks (=iedereen bleef kijken)
  39. Arnhems: kuwwe effe kieke (=mogen we even kijken)
  40. Venloos: Kièke wie einen boetsauto (=verbaasd kijken)
  41. West-Vlaams: sien nogen draaien naar tolvansiengat (=verwonderd kijken)
  42. Brakels: ij eet een lirre vandoen om iejn ee verke zij gat te kijk'n (=heel kleine persoon)
  43. Ostêns: tsjoerelen (=scheel kijken)
  44. Oudenbosch: dan motte gij mar us kijke (=nou let maar op)
  45. Hansbeeks: kijken gelijk nen uil naar een zieke koe (=Verbaasd kijken)
  46. Lichtervelds: je voagt er zne broek an (=hij kijkt er niet naar om)
  47. Tilburgs: hè kèkt nie op unnen bos peejkes (=hij kijkt niet zo nauw)
  48. Kortemarks: ze kiekt zo scheel lik e blad schelpn (=ze kijkt raar)
  49. venloos: span herres! (=kijk!)
  50. Twents: hee kik met 't ene oog in de andere wèke (=Hij kijkt scheel)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen