Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


36 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kijken`

  1. achter de coulissen kijken (=de echte toestand zien (ontdekken))
  2. achter de schermen kijken (=kijken waar men normaal niet kan of mag kijken)
  3. De één mag een paard stelen, de ander mag niet over het hek kijken. (=Sommigen mogen alles, anderen mogen niets)
  4. de kat uit de boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  5. De ooievaar nakijken (=Tijd verdoen)
  6. de zaak nog eens aankijken (=nog even afwachten)
  7. door een donkere bril bekijken (=op een pessimistische manier bekijken)
  8. door het hennepen venster kijken (=opgehangen worden)
  9. Een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=Als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
  10. het nakijken hebben (=te laat in actie zijn gekomen, een ander was je voor)
  11. iemand met de nek aankijken (=iemand niet als volwaardig beschouwen)
  12. iemand met schele ogen aankijken (=iemand afgunstig bekijken)
  13. iemand op de vingers kijken (=steeds kijken wat iemand doet, en of die het goed doet)
  14. iemand op iets aankijken (=over een eigenschap of daad van iemand niet tevreden zijn)
  15. iemand scheef aankijken (=aan iemand zijn afkeuring laten blijken)
  16. iets met argusogen bekijken (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden)
  17. je moet een gegeven paard niet in de mond kijken (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopjes)
  18. je ogen uitkijken (=het prachtig vinden om iets te zien)
  19. kijken als een hard geschilde aardappel (=Bleek zien)
  20. kijken hoe de hazen lopen (=voorzichtig te werk gaan, eerst afwachten hoe de verhoudingen blijken te liggen)
  21. kijken of men het in Keulen hoort donderen (=heel erg verbaasd kijken)
  22. kijken of men water ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
  23. koffiedik kijken (=trachten het onbekende te kennen (de toekomst))
  24. men mag een gegeven paard niet in de bek kijken (=men mag niet klagen over de kwaliteit van iets dat men gratis krijgt)
  25. met een kennersblik bekijken (=met kennis van zaken beoordelen)
  26. met scheve ogen aankijken (=benijden, argwanend kijken)
  27. naar iets mogen kijken (=van iets moeten afblijven)
  28. niet verder zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
  29. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt)
  30. op zijn neus kijken (=teleurgesteld zijn)
  31. staan kijken als lamme/verdomde Louis (=verlegen of beteuterd staan kijken)
  32. te diep in het glaasje kijken (=te veel alcohol drinken en daardoor erg dronken zijn)
  33. uit de doppen kijken (=goed uitkijken)
  34. zich in de kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)
  35. zijn ogen uitkijken (=erg verbaasd of nieuwsgierig staan kijken)
  36. zuinig kijken (=teleurgesteld of verdrietig kijken)

28 betekenissen bevatten `kijken`

  1. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  2. in ogenschouw nemen (=bekijken)
  3. met scheve ogen aankijken (=benijden, argwanend kijken)
  4. de dingen op hun kop zetten (=de dingen verkeerd of omgekeerd bekijken)
  5. zoiets is monnikenwerk (=een saaie, harde, langdurige taak. / Een taak waar heel veel geduld bij komt kijken)
  6. een gezicht als een oorwurm trekken (=erg ontevreden kijken (omdat er bijv. iets gedaan moet worden))
  7. zijn ogen uitkijken (=erg verbaasd of nieuwsgierig staan kijken)
  8. uit de doppen kijken (=goed uitkijken)
  9. kijken of men het in Keulen hoort donderen (=heel erg verbaasd kijken)
  10. kijken of men water ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
  11. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  12. hij kijkt als Jonas in de walvis (=hij zit benauwd te kijken)
  13. geen oud wijf bleef aan het spinnewiel (=iedereen kwam kijken)
  14. iemand met schele ogen aankijken (=iemand afgunstig bekijken)
  15. iets op de keper beschouwen (=iets nauwkeurig bekijken)
  16. elke medaille heeft een keerzijde (=iets van twee kanten bekijken, aan iedere zaak zitten twee kanten, vaak een positieve en minder positieve kant)
  17. iets met argusogen bekijken (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden)
  18. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  19. tel uit je winst (=kijken en doen waar je het meeste voordeel bij hebt, `zie je wel!`)
  20. de balans opmaken (=kijken hoe iets verlopen is; nagaan of je ergens voordeel of nadeel van hebt gehad)
  21. achter de schermen kijken (=kijken waar men normaal niet kan of mag kijken)
  22. onder de loupe nemen (=nader bekijken, aandachtig bestuderen)
  23. iets door een gekleurde bril zien (=op een bevooroordeelde manier naar de zaak kijken)
  24. door een donkere bril bekijken (=op een pessimistische manier bekijken)
  25. iemand op de vingers kijken (=steeds kijken wat iemand doet, en of die het goed doet)
  26. zich blind staren op (=te veel naar één eigenschap kijken)
  27. zuinig kijken (=teleurgesteld of verdrietig kijken)
  28. staan kijken als lamme/verdomde Louis (=verlegen of beteuterd staan kijken)

Het dialectenwoordenboek kent 85 spreekwoorden met `kijken`

  1. Bocholtz: kieke (=kijken)
  2. Ostêns: tsjoerelen (=scheel kijken)
  3. Hansbeeks: kijken gelijk nen uil naar een zieke koe (=Verbaasd kijken)
  4. Gents: lijk nen uil op ne kluit (=verbaasd kijkend)
  5. Bilzers: aordeg op zen naos zien (=beteuterd kijken)
  6. Bilzers: n raar snoet trèkke (=beteuterd kijken)
  7. Roeselaars: kiekken lik ne nuil ut tgootegat (=dom kijken)
  8. Zeeuws: ie trok un hezicht va nouwe lappen (=lelijk kijken)
  9. flakkees: Kieke as un kraoje naer un dikke locht (=Verbaasd kijken)
  10. Munsterbilzen - Minsters: da ho(ch) viël bekieks (=iedereen bleef kijken)
  11. Arnhems: kuwwe effe kieke (=mogen we even kijken)
  12. Venloos: Kièke wie einen boetsauto (=verbaasd kijken)
  13. West-Vlaams: sien nogen draaien naar tolvansiengat (=verwonderd kijken)
  14. Tegels: haese nag wöard! (=daar sta ik van te kijken!)
  15. Eekloos: ge ziet tot tendent de meulenstroate (=je kan in haar decolleté kijken)
  16. Kerkraads: kieke wie enge frisch gepopte uul (=kijken als een kerstkindje)
  17. Oudenbosch: mee smaok naor iets kijke (=met plezier naar iets kijken)
  18. Mestreechs: sjus unne aap tösse uh speul keigelle (=verschrokken/verbaasd staan kijken)
  19. Tilburgs: kèèke òf ie kèkt en as ie kèkt nie kèèke (=kijken of hij kijkt,en als hij kijkt niet kijken)
  20. Oudenbosch: daoris ne noop mee gemoeit (=daar komt veel bij kijken)
  21. Oudenbosch: z n lip opt onderste knopsgat laote naange (=heel treurig kijken)
  22. Tilburgs: kikt doar nouw is keke die sgele loerie (=kijk daar nou is kijken)
  23. Brugs: j'eet u lippe gelik u koeistalschippe (=met open mond staan kijken)
  24. Flakkees: me binne dur weze kieke (=We zijn er gaan kijken)
  25. Roois (Sint-Oedenrode): Ze kèke as de hènne van Bèst, as de boekent op is. (=Ze kijken beteuterd.)
  26. Enschedees: stenen gooie op een kattebies toet het ut dienen boom kumt (=de kat uit de boom kijken)
  27. Munsterbilzen - Minsters: ston te kieke waaj nen hoote heilege (=gelijk een koe naar een trein kijken)
  28. Tilburgs: gao de meej kèèke nòr diejen örgel. (=ga je mee naar dat orgel kijken.)
  29. Kortrijks: Ie stoat te gaapn gelik een ond ip een zieke koe (=Hij staat erbij te kijken)
  30. Oudenbosch: ghoef jeulemaol nie zoone toot te trekke (=je hoeft helemaal niet zo verongelijkt te kijken)
  31. Oudenbosch: ik kan de deur nie alleen laote (=ik moet kijken of er iemand komt)
  32. Sint-Niklaas: nor iet spieren, nor iet lonken (=naar iets kijken met half dichtgeknepen ogen)
  33. Westerkwartiers: zij is nog niet dreug achter d'oor'n (=zij komt nog maar net kijken)
  34. Tilburgs: oew ôogen öt oewe kòp kèèke (=de ogen uit je hoofd kijken)
  35. Sint-Niklaas: nor iets spieren (=met half gesloten ogen naar iets kijken)
  36. Twents: A'j gin kop hebt, kö'j nich oet 't raam kiek'n (=Als je geen kop hebt, kun je niet uit het raam kijken)
  37. West-Vlaams: os koken kiken me ze linke gibus (=je moet hem daar eens zien kijken met zen dom aangezicht)
  38. Waregems: ie stont drip te kijkn lijnk ne nond ip 'n zieke koe (=hij stond er dwaas naar te kijken)
  39. Ossies: hij zit te kijke es 'n hiete gelt die in 't stroi zêkt (=hij zit te kijken als een hete gelt die in het stro plast)
  40. Tilburgs: kèkt tis offie kèkt en assie kèkt nie kèèke (=kijk eens of hij kijkt, en als hij kijkt,niet kijken)
  41. Rotterdams: ken je niet uit je doppen kijken (=let eens beter op)
  42. Sint-Niklaas: van de weirk kijken (=naar de andere kant opkijken)
  43. Rijssens: iej kuent heur vuur poas'n en peekstern kiek'n (=als je een vrouw onder de rok kon kijken)
  44. Flakkees: Moje kieke wa'n dieng dák háá! Valt in de zelfde categori (=Moet je kijken wat een ding ik heb!)
  45. Liemers: Hi-j steeh te kie:ke of hi-j 't in Keu:le heur dond're. (=Staat te kijken of hij het in Keulen hoor donderen.)
  46. Sallands: Kiek ik oe an en ie kiekt mi-j an, dan kieke wi-j naor mekare. (=Als ik jou aankijk en jij kijkt mij aan, dan kijken we elkaar aan.)
  47. Liessents: Dn dieje dor die hi ne neije waoge en dor stottie al dn hullen dag nor te kieke, zu gruts dettie is (=Hij daar heeft een nieuwe auto en daar staat hij al de hele dag naar te kijken, zo trots als hij is)
  48. Hamonter: Wie ne hoan op ne knoerselebos. (=Boos kijken.)
  49. Deinzes: Kijk'n lijk nen uil op nen kluit (=Dom kijken)
  50. Venloos: Kièk ze kièke (=Kijk ze kijken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen