Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


30 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `grote`

  1. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  2. de grote kaars gaat uit (=de zon gaat onder)
  3. de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
  4. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  5. De groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=De machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  6. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  7. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)
  8. een grote lantaarn, een klein licht (=veel praat, maar weinig verstand)
  9. een grote mond hebben/opzetten (=brutaal zijn)
  10. er is maar een grote mast op een schip (=er is er maar één de baas)
  11. grote ogen opzetten (=erg verbaasd zijn)
  12. grote parade en klein garnizoen (=een grote vertoning maar niet veel zaaks)
  13. grote vissen scheuren het net (=hooggeplaatste personen worden niet zo gemakkelijk gestraft)
  14. het oog is groter dan de maag (=meer op het bord scheppen dan er opgegeten kan worden)
  15. hoe groter geest hoe groter beest (=wel verstandig, maar daarom niet goedhartig)
  16. iemand een grote neep geven (=iemand ernstig afbreuk doen)
  17. iets aan de grote klok hangen (=iets algemeen kenbaar maken)
  18. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  19. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  20. mee-eten uit de grote pot van Egypte (=meegenieten zonder vergoeding)
  21. met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
  22. op de grote trom slaan (=aandacht proberen te krijgen voor diens zaak)
  23. op grote schaal (=in het groot , zeer veel voorkomend)
  24. op grote voet leven (=veel geld uitgeven)
  25. varen waar de grote mast vaart (=klakkeloos de baas volgen)
  26. vele kleintjes maken een grote (=veel kleine stukjes leveren uiteindelijk ook een geheel op)
  27. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd (=je moet waardering hebben voor het geringe)
  28. zij hebben een te grote broek aangetrokken (=die organisatie heeft een doel op zich genomen waarvoor ze niet de benodigde capaciteiten, financiële middelen en/of invloed heeft)
  29. zijn ogen zijn groter dan zijn maag (=hij neemt meer op zijn bord dan hij kan eten)
  30. zijn schip voert te grote zeilen (=te veel geld uit geven)

68 betekenissen bevatten `grote`

  1. voor heter vuren gestaan hebben (=al groter problemen gekend hebben)
  2. het ene woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  3. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  4. haar wil is wet (=als wat zij wil niet gebeurt, dan ontstaan er grote conflicten)
  5. Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=Behandel kinderen niet als grote mensen)
  6. het is daar armoe troef (=daar heerst grote armoede)
  7. dat is een ver-van-mijn-bed-show (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  8. de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen komen)
  9. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  10. een bok schieten (=een grote fout begaan of zich lelijk vergissen)
  11. op je bek gaan (=een grote fout maken; afgaan)
  12. stukken maken (=een grote indruk maken , veel kapot maken)
  13. aan zijn eerste leugen niet gebarsten en voor zijn tweede niet opgehangen zijn (=een grote leugenaar zijn)
  14. een boom van een kerel (=een grote man)
  15. zijn sluis openzetten (=een grote mond zetten)
  16. een mond als een hooischuur (=een grote of erg brutale mond)
  17. mijl op zeven zijn (=een grote omweg zijn)
  18. een pak van het hart (=een grote opluchting)
  19. een uil vangen (=een grote strop hebben)
  20. een rib(be) uit iemands lijf (=een grote uitgave)
  21. grote parade en klein garnizoen (=een grote vertoning maar niet veel zaaks)
  22. als een donderslag bij heldere hemel (=een onverwachte gebeurtenis, die een grote schok teweeg brengt)
  23. de vleespotten van Egypte (=een vroegere tijd van grote welvaart)
  24. een druppel op een gloeiende plaat (=een zeer kleine bijdrage aan iets groters)
  25. iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden)
  26. het geld regeert de wereld (=geld heeft grote invloed)
  27. de schapen scheren (=gemakkelijk grote winsten maken)
  28. gouden handdruk (=grote afscheidspremie)
  29. iemand op handen dragen (=grote bewondering hebben voor iemand)
  30. in de knoei zitten (=grote moeilijkheden of zorgen hebben)
  31. een bittere pil slikken (=grote moeite ergens mee hebben)
  32. Keulen en Aken zijn niet op een dag gebouwd (=grote projecten kosten tijd (en vergen geduld))
  33. op een papieren zoldertje lopen (=grote risico`s nemen)
  34. het gaat van sassenbloed (=het gaat met grote opofferingen gepaard)
  35. hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
  36. op dezelfde golflengte zitten (=het grotendeels eens zijn)
  37. er komt moord en doodslag van (=het komt tot grote problemen)
  38. zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper)
  39. iemand de ijzers aanleggen (=iemand boeien of onder grote druk zetten)
  40. hij heeft het gelijk van de vismarkt (=iemand die (altijd) probeert men een grote mond zijn gelijk te krijgen)
  41. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  42. wie aan de weg timmert heeft veel bekijks (=iemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek)
  43. iemand de duimschroeven aanzetten (=iemand scherp ondervragen, onder grote druk zetten)
  44. een lange arm hebben (=iemand zelfs vanaf een grote afstand nog dwars kunnen zitten)
  45. veel stof doen opwaaien (=iets heeft grote invloed op wat er leeft bij mensen)
  46. met het mes in de buik zitten (=in grote angst verkeren)
  47. in de penarie zitten (=in grote moeilijkheden zitten)
  48. in rep en roer (=in grote opschudding)
  49. zich voor de kop schieten (=inzien dat men een grote stommiteit gedaan heeft - zelfmoord plegen)
  50. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 195 spreekwoorden met `grote`

  1. Waalwijks: Damke van Mie Pol (=Doorgang grotestraat Kloosterwerf)
  2. Texels: Een hóge trararie op tafel (=grote bos bloemen op tafel)
  3. Sint-Niklaas: ge zè ne groten oarzak (=jij bent een grote valsspeler, bedrieger)
  4. Diems: met 'n metwos noar 'n zi'jen spek gooien (=met iets kleins wat groters proberen te bemachtigen)
  5. Oudenbosch: mee de groten bo-ns neerkomme (=inslaan als een bom)
  6. Munsterbilzen - Minsters: kender traeë op ze kleed, mér graute op zen hat (=kleine kinderen, klein maar groten groot leed)
  7. Lokers: Gruuete stelen en kleine stelen, moaur de gruuete stelen tmieest (=groten stelen en kleinen stelen, maar de groten stelen het meest)
  8. Westerkwartiers: hij rakt van 'e waal ien 'e sloot (=zijn problemen worden groter)
  9. Sallands: Wie 't kleene nie eert is 't groten nie weerd. (=Wie het kleine niet eert is het grote niet waard.)
  10. Sint-Niklaas: die zuigdalles uit zènnen groten teen (=iemand die voortdurend liegt)
  11. Munsterbilzen - Minsters: baeter ne kleene plezante dan ne graute ambetante (=klein maar dapper, hoe groter hoe slapper)
  12. Bilzers: de graute aete de kleen (=als kleine zelfstandige kan je niet op tegen de groten)
  13. Fries: Jan is grutter as Pyt (=Jan is groter dan Piet.)
  14. Zeeuws: oe hrotter hi-est oe hrotter bie-est (=hoe groter geest)
  15. Munsterbilzen - Minsters: gloejetige sjaan (=grote schande)
  16. Brakels: ne gillen ènd (=grote afstand)
  17. Lokers: ueren gelijk talueren (=grote oren)
  18. Bocholtz: schwoap (=grote zwarte kever)
  19. Munsterbilzen - Minsters: de bès e kaaf van Mozes of Mo-ziëve (=je bent een nog grotere dommerik dan ik dacht)
  20. Westerkwartiers: hij het wel veur hiedere vuur'n stoan (=hij heeft wel groter moeilijkheden overwonnen)
  21. Bilzers: twor wir graute poeppekas (='t was weer grote ruzie)
  22. Bilzers: autbemmele (=aan de grote klok hangen)
  23. Bilzers: de grauten hoop (=de grote massa)
  24. Munsterbilzen - Minsters: e graut bakkes opzètte (=een grote mond hebben)
  25. Bilzers: n graute miële draaë (=een grote versnelling trappen)
  26. Flakkees: Juun in duhn tuun (=Een grote voorgevel)
  27. Bilzers: de graute miële draeë (=de grote versnelling ronddraaien)
  28. Gents: veel volk an de stoase (=grote boezem)
  29. West-Vlaams: vele volk in de stoasje (=grote borsten hebben)
  30. Valkenswaards: Bear van une vent (=grote brede man)
  31. Bilzers: hoenger waaj e piëd (=grote honder)
  32. Brussels: polle as oelleschuppe (=handen (grote handen ))
  33. Waregems: in 'n vroete k'leire (=in een grote woede)
  34. Lokers: Un smàdmuile ènne (=Kin, grote kin hebben)
  35. Balens: veul liejet hemme (=een grote mond hebben)
  36. Zottegems: ne neuze om e verken mee te ber'n (=grote neus)
  37. Giethoorns: Die ef d'ogen groter dan de maege (=Die eet meer dan hij op kan)
  38. Sittards: Klein kènjer traeë dich oppe sjòlk, groote op 't hart (=Kleine kinderen kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen)
  39. Ouddorps: Die heit een bek as 'n mendeure (=Die heeft een grote mond)
  40. Opglabbeeks: desser ein oem sjenderme uut te kweke (=grote bars uitziende vrouw)
  41. Lichtervelds: me moage robbelt van dn oengre (=ik heb grote honger)
  42. Sint-Niklaas: die schoenen slokken (=met te grote schoenen gaan)
  43. Westerkwartiers: ze ging'n massoal op vekaanzie (=ze gingen in grote getale met vakantie)
  44. Bilzers: daaj hétten lëleke maul (=zij heeft een grote mond)
  45. Katwijks: Drukke nering (=grote drukte)
  46. Diesters: hande as schoepe (=grote handen)
  47. Bloals: un groat bakkes (=grote mond)
  48. Eys: vót mit oeëre (=grote sufferd)
  49. Munsterbilzen - Minsters: e graut bakkes opzètte (='n grote mond hebben)
  50. Giesbaargs: da was noga e maol (=dat was een grote hoeveelheid)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen