Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `boon`

  1. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  2. boontjes uit water eten. (=Een eenvoudige maaltijd.)
  3. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  4. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  5. een blauwe boon (=een kogel)
  6. een heilig boontje zijn (=erg braaf doen, maar niet altijd braaf zijn)
  7. zijn boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)

Het dialectenwoordenboek kent 12 spreekwoorden met `boon`

  1. Avelgems: Boentsies ploeisn (=boontjes kuisen)
  2. Huizers: Zain aigen mast overboord zailen (=Zijn eigen boontjes doppen)
  3. Ransts: das nen flebbekak (=die heeft een boontje voor)
  4. Hals: ne kreek van Buun (=een kriek boon)
  5. Westerkwartiers: hij is ien de boon'n (=hij is in de war)
  6. Westerkwartiers: ien 'e boon'n weez'n (=in de war zijn)
  7. Bilzers: het mênke kimp vér ze gêld (=boontje komt om zijn loontje)
  8. kortemarks: ketje mie ketje weere (=loontje komt om zijn boontje)
  9. Brakels: ij ee zijn boonk haad (=hij is ontslagen)
  10. Westerkwartiers: hij dut met veur spek en boon'n (=hij doet niet volwaardig mee)
  11. Oudenbosch: ijaartaor boontjes in de weik gelege (=hij had gedacht daar iets van te zullen krijgen)
  12. Westerkwartiers: hij is ien 'e boon'n om aart'n te plukk'n (=het loopt hem helemaal door)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen