Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


14 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ding`

  1. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)
  2. alle goede dingen bestaan in drieën (=gezegd van iets waarvan men er twee heeft en een derde wil krijgen)
  3. als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
  4. als de nood het hoogste is, is de redding nabij (=in hoge nood komt er vaak plotseling een oplossing)
  5. de dingen bij hun naam noemen (=zeggen waar het op staat)
  6. de dingen op hun kop zetten (=de dingen verkeerd of omgekeerd bekijken)
  7. de lading binnen hebben (=dronken)
  8. de vlag dekt de lading niet (=iets onder een goede naam verkopen zonder dat het ook die kwaliteit heeft)
  9. geen ding betert door ouderdom (=alles verslijt door de ouderdom)
  10. iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zich nemen)
  11. kallen is mallen maar doen is een ding (=je kan het beter doen dan er altijd maar over blijven praten)
  12. met ongebroken lading wegzeilen (=zich zonder gezichtsverlies uit de situatie redden)
  13. ondervinding is de beste leermeester (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
  14. wat men afdingt is het eerst betaald (=als men het goedkoop krijgt, is het vlugger betaald)

120 betekenissen bevatten `ding`

  1. haarscherp (=(van een afbeelding) getrouw tot in fijne details)
  2. Aan de veren kent men de vogel (=1: Aan iemands uiterlijk (verzorging / kleding) kan men zijn karakter afleiden. 2: Kinderen lijken vaak op hun ouders)
  3. op kop staan (=aan de leiding staan)
  4. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  5. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  6. het tafellaken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
  7. achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
  8. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  9. iemand over de hekel halen (=allerlei slechte dingen vertellen over iemand)
  10. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  11. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  12. In de nood eet de duivel vliegen. (=Als je in nood verkeert, stel je je tevreden met dingen die je anders zou weigeren.)
  13. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  14. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  15. breek me de bek niet open (=begin daar maar niet over, want daar kan ik heel veel negatieve dingen over vertellen)
  16. aan het licht brengen (=bekend maken (bijz. van ongunstige dingen))
  17. te goeder naam en faam bekend staan (=bekend staan voor goede dingen)
  18. aan het licht komen (=bekend worden van ongunstige dingen)
  19. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  20. koffen en smakken zijn waterbakken (=dat soort dingen kan veel doorstaan)
  21. dat zijn aambeien met slagroom (=dat zijn dingen die niets met elkaar van doen hebben)
  22. de bezem in de mast voeren (=de baas zijn en leiding hebben)
  23. het kastje bij het muurtje laten blijven (=de dingen niet gaan overdrijven)
  24. gods water over gods akker laten lopen (=de dingen op hun beloop laten)
  25. de dingen op hun kop zetten (=de dingen verkeerd of omgekeerd bekijken)
  26. aan het roer zitten/staan (=de leiding hebben)
  27. de teugels in handen hebben/houden (=de leiding hebben/houden)
  28. het heft in eigen hand(en) nemen (=de leiding nemen)
  29. de rotte appels uit de mand halen (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen)
  30. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  31. platgetreden paden/wegen (=dingen die anderen al eerder gedaan hebben)
  32. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
  33. men kan niet door een muur lopen, behalve als er een deur in zit (=dingen kunnen alleen gedaan worden als er een reële kans toe is)
  34. niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
  35. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  36. schijn bedriegt (=dingen zijn niet altijd zoals ze zich voordoen)
  37. op til zijn (=dingen zijn op dit moment gaande (met name veranderingen))
  38. De bezem uitsteken (=Doen en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is)
  39. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  40. tijd slijt (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  41. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
  42. gekken en dwazen schrijven hun namen op deuren en glazen (=dwazen doen gekke dingen)
  43. de kat uit de boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  44. een krop opzetten (=een hoge borst opzetten - een fiere houding aannemen)
  45. een keer nemen (=een wending nemen, veranderen)
  46. gods wegen zijn ondoorgrondelijk (=er gebeuren soms rare dingen)
  47. geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
  48. geen been hebben om op te staan (=geen enkele verantwoording kunnen geven)
  49. een gek en zijn geld blijven nooit lang bij elkaar (=geld uitgeven aan nutteloze en onnodige dingen)
  50. Bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=Geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)

Het dialectenwoordenboek kent 62 spreekwoorden met `ding`

  1. Munsterbilzen - Minsters: n ferm joeng pül (=een knap dingske)
  2. Munsterbilzen - Minsters: O, dinge wo ze K. nie kos vringe (=dinges, hoe heet die ook alweer)
  3. Harelbeeks: 'T es 'n iëwig dingne (=Het is ellendig)
  4. Mestreechs: lekker dingk (=aantrekkelijke man/ vrouw)
  5. Giesbaargs: dingelkes pissen out den heemel , kerremesse in delle (=zon schijn terwijl het regent)
  6. Horster: en ding ván lek-me-vesje (=een waardeloos ding)
  7. Westerkwartiers: scheve ding'n pizz'n ook (=ook met mindere kwaliteit werrkt het)
  8. Lebbeeks: ding: Mij ding mij.. (=Het dunkt me..)
  9. Westerkwartiers: dat ding stamt nog uut 't joar nul (=dat is een heel oud ding)
  10. Schevenings: lekker bakje met 'n dingetje (=Kopje koffie met een koekje)
  11. Westerkwartiers: scheve ding'n pizz'n ook (=ook slechtere kwaliteit heeft zijn goede kanten)
  12. Bilzers: wot e sjaun kindsje (=een knap ding)
  13. Antwerps: ieder zenne meug (=ieder zijn ding)
  14. Munsterbilzen - Minsters: aa,dinge dae zen K.nie kos vringe (=dinge,hoe heet die nu ook weer)
  15. Dunges: láng vingers hebbe (=iemand die veel dingen weghaalt)
  16. Maldegems: den eul eutangn (=domme dingen doen)
  17. Rotterdams: Zeike en scheite (=Twee dingen tegelijk doen)
  18. Westerkwartiers: dat ding stamt uut de oertied (=dat is een ouderwets ding)
  19. Munsterbilzen - Minsters: doechet paajn waajsteautten hiemel voels (=hé, wat ben jij toch een knap ding !)
  20. Westerkwartiers: liefde mokt blind (=geen slechte dingen van je liefje zien)
  21. Horster: din tikt nì richtig (=iemand die gekke dingen doet)
  22. Westerkwartiers: jan hoagel en zien grootmoeke (=van heel veel dingen iets)
  23. volendams: je doene inkelt malle proat verkope (=je kan alleen maar gekke dingen zeggen)
  24. Westfries: ik ken niet hèkse! (=ik kan nou eenmaal niet 2 dingen tegelijk.)
  25. Westerkwartiers: wel den leeft, den zörgt (=maak je geen zorgen om de dingen die komen)
  26. Sint-Niklaas: der is meer dan één koe die Bloar eet (=veel dingen en mensen dragen dezelfde naam)
  27. Munsterbilzen - Minsters: tgrutste gelèk zit ènne kleen...brikske (=zoek het geluk niet in (te) grote dingen)
  28. Munsterbilzen - Minsters: ich kan nie hêkse (=je kan maar één ding tegelijk doen)
  29. Munsterbilzen - Minsters: ze kappetaol besjerme (=zijn handen ter bescherming voor zijn ding houden)
  30. Westerkwartiers: jan hoagel en zien grootmoeke (=van allerlei dingen wat)
  31. Westerkwartiers: wat is dat veur 'n vremd gebakje (=wat is dat voor een raar ding)
  32. Fries: Doch dyn plicht, en lit de lju mar rabjee (=Doe je plicht/ding en laat de lui/rest maar praten)
  33. Tilburgs: ge wit wèl: dinges, òch kom, hoe hietie naa ok awir (=je weet wel, kom, hoe heet hij ook alweer)
  34. Weerts: ierst vânge, dan knuppe (betreft vlooien) (=geen dingen beloven die nog niet van jou zijn)
  35. Westerkwartiers: wel met pik omgijt wordt d'r met besmet (=je neemt dingen over van je omgeving)
  36. Westerkwartiers: zij ken proat'n en brei'n tegeliek (=zij kan twee dingen tegelijk doen)
  37. Westerkwartiers: alles op één koart zett'n (=alles op één ding inzetten)
  38. Munsterbilzen - Minsters: mèt daaj geeste nog get pette mètmaoke (=met die vrouw zul je nog wat rare dingen meemaken)
  39. Gronings: tammoar (=Die dingen gebeuren, maar ik sta er niet achter)
  40. Westerkwartiers: hij is verhipte veulziedeg (=hij weet van heel veel dingen wat af)
  41. Westerkwartiers: een kat ien 't nauw mokt roare sprong'n (=in gevaar doet men soms rare dingen)
  42. Oudenbosch: ouwe paole kundut best mar laote staon (=oude dingen moet je niet willen veranderen)
  43. Ninoofs: das toch wel iets gescheten !! (=over iemand die alles uitspookt of rare dingen doet)
  44. Westerkwartiers: noa reeg'n komt zunneschien (=na slechte dingen komen ook weer goede)
  45. Sint-Niklaas: da zé fantelatieren (=dat zijn bijkomstigheden, onbelangrijke dingen)
  46. Lopiks: kijk maar effe (=ga je gang maar / bekijk het / doe je best / doe je ding)
  47. Rotterdams: Je ken een hoop stront paars verruve, maar ut blijf een hoop stront (=Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.)
  48. Westerkwartiers: ik ken niet heksen en blauwvaarm (=ik kan maar een ding tegelijk hoor)
  49. Weerts: Ein dink es ein hinnevot, staektj eure vînger d'r in en kloptj d'r op ! (=Reactie op het woord \)
  50. Westerkwartiers: 't benn'n de kleine dinkjes die 't em doen (='t zijn de kleine dingen die 't em doen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen