Spreekwoorden met `ding`

Zoek

20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ding`

  1. aan alle dingen komt een eind. (=alles verandert)
  2. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)
  3. alle dingen hebben twee handvatten. (=er zijn vaak meerdere manieren zijn om een situatie aan te pakken)
  4. alle goede dingen bestaan in drieën (=gezegd van iets waarvan men er twee heeft en een derde wil krijgen)
  5. als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
  6. als de nood het hoogste is, is de redding nabij (=in hoge nood komt er vaak plotseling een oplossing)
  7. beproeft alle dingen en behoudt het goede. (=weet wat er allemaal is, maar doe alleen de goede dingen)
  8. de dingen bij hun naam noemen (=zeggen waar het op staat)
  9. de dingen op hun kop zetten (=de dingen verkeerd of omgekeerd bekijken)
  10. de lading binnen hebben (=dronken)
  11. de vlag dekt de lading niet (=iets onder een goede naam verkopen zonder dat het ook die kwaliteit heeft)
  12. doen is een ding. (=praten of plannen maken is gemakkelijk gedaan, daadwerkelijk actie ondernemen is veel moeilijker)
  13. een rots in de branding (=een persoon waarop je kunt vertrouwen en die je steunt.)
  14. geen ding betert door ouderdom (=alles verslijt door de ouderdom)
  15. gereed geld dingt scherp. (=als je meteen betaalt gaat de verkoop sneller)
  16. iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zich nemen)
  17. kallen is mallen maar doen is een ding (=je kan het beter doen dan er altijd maar over blijven praten)
  18. met ongebroken lading wegzeilen (=zich zonder gezichtsverlies uit de situatie redden)
  19. ondervinding is de beste leermeester (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
  20. wat men afdingt is het eerst betaald (=als men het goedkoop krijgt, is het vlugger betaald)

142 betekenissen bevatten `ding`

  1. haarscherp (=(van een afbeelding) getrouw tot in fijne details)
  2. op kop staan (=aan de leiding staan)
  3. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  4. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  5. het tafellaken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
  6. de derde streng houdt de kabel. (=alle goede dingen bestaan in drieën)
  7. achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
  8. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  9. iemand over de hekel halen (=allerlei slechte dingen vertellen over iemand)
  10. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  11. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  12. gaan doet komen (=als je ergens moeite voor doet komen dingen ook jouw kant op)
  13. in de nood eet de duivel vliegen. (=als je in nood verkeert, stel je je tevreden met dingen die je anders zou weigeren.)
  14. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  15. wie gekheid zaait zal dwaasheid oogsten. (=als je ongebruikelijke dingen doet krijg je ook ongebruikelijke resultaten)
  16. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  17. breek me de bek niet open (=begin daar maar niet over, want daar kan ik heel veel negatieve dingen over vertellen)
  18. aan het licht brengen (=bekend maken (bijz. van ongunstige dingen))
  19. te goeder naam en faam bekend staan (=bekend staan voor goede dingen)
  20. aan het licht komen (=bekend worden van ongunstige dingen)
  21. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  22. koffen en smakken zijn waterbakken (=dat soort dingen kan veel doorstaan)
  23. de bezem in de mast voeren (=de baas zijn en leiding hebben)
  24. het kastje bij het muurtje laten blijven (=de dingen niet gaan overdrijven)
  25. de dingen op hun kop zetten (=de dingen verkeerd of omgekeerd bekijken)
  26. aan het roer zitten/staan (=de leiding hebben)
  27. de teugels in handen hebben/houden (=de leiding hebben/houden)
  28. het heft in eigen hand(en) nemen (=de leiding nemen)
  29. de rotte appels uit de mand halen (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen)
  30. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  31. platgetreden paden/wegen (=dingen die anderen al eerder gedaan hebben)
  32. moet is een bitter kruid. (=dingen die men moet doen kunnen onaangenaam of vervelend zijn.)
  33. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
  34. je kan niet door een muur lopen, behalve als er een deur in zit (=dingen kunnen alleen gedaan worden als er een reële kans toe is)
  35. niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
  36. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  37. schijn bedriegt (=dingen zijn niet altijd zoals ze zich voordoen)
  38. op til zijn (=dingen zijn op dit moment gaande (met name veranderingen))
  39. de bezem uitsteken (=doen en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is)
  40. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  41. tijd slijt (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  42. alle vrijers zijn rijk. (=door verliefdheid de negatieve dingen van je partner niet zien)
  43. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
  44. volle krop, dolle kop. (=dronken mensen doen gekke dingen)
  45. gekken en dwazen schrijven hun namen op deuren en glazen (=dwazen doen gekke dingen)
  46. dwazen en gekken schrijven hun namen op deuren en hekken (=dwazen doen gekke dingen)
  47. de kat uit de boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  48. een krop opzetten (=een hoge borst opzetten - een fiere houding aannemen)
  49. een keer nemen (=een wending nemen, veranderen)
  50. met tijd en stond, gaat men de wereld rond. (=er is een juiste tijd is voor alles en sommige dingen hebben tijd nodig)

24 dialectgezegden bevatten `ding`

  1. 'n mooi ding (=een knap meisje) (Sallands)
  2. alles op één koart zett'n (=alles op één ding inzetten) (Westerkwartiers)
  3. dat ding stamt nog uut 't joar nul (=dat is een heel oud ding) (Westerkwartiers)
  4. dat ding stamt uut de oertied (=dat is een ouderwets ding) (Westerkwartiers)
  5. dat spillement (=dat ding) (Veurns)
  6. ding: Mij ding mij.. (=Het dunkt me..) (Lebbeeks)
  7. Doet oen dink (=Doe je ding) (Hoogeveens)
  8. een hups ding (=een flinke meid) (Putters)
  9. Een zeper(d) (=een mislukking, een slechte aankoop, een kapot ding etc) (Utrechts)
  10. en ding ván lek-me-vesje (=een waardeloos ding) (Horster)
  11. geef nen oap ne Goudne Ring,tès en Bluft en Ljillek ding (=mirakels zijn er niet) (Kortrijks)
  12. Het is een sleg houtje wa van legge brek (=Dat ding is niet goed / in orde) (Geldermalsens)
  13. ich kan nie hêkse (=je kan maar één ding tegelijk doen) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. ik ken gien twee kerk'n tegeliek bezing'n (=ik kan maar één ding tegelijk) (Westerkwartiers)
  15. ik ken niet heksen en blauwvaarm (=ik kan maar een ding tegelijk hoor) (Westerkwartiers)
  16. Kijk maar effe (=Ga je gang maar / bekijk het / doe je best / doe je ding) (Lopiks)
  17. Kittig ding (=Jonge vrouw) (Archaïsch)
  18. kwooi ding (=stouterd (stout meisje / jongen) ) (Ossies)
  19. Moje kieke wa' n dieng dák háá! Valt in de zelfde categori (=Moet je kijken wat een ding ik heb!) (Flakkees)
  20. schup da vuol ding den heg in (=zou je die vreemdgaande man / vrouw van je niet op de stoep zetten) (brabants)
  21. wat is dat veur 'n vremd gebakje (=wat is dat voor een raar ding) (Westerkwartiers)
  22. wot e sjaun kindsje (=een knap ding) (Bilzers)
  23. ze kappetaol besjerme (=zijn handen ter bescherming voor zijn ding houden) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. zëne pa hoch tich baeter èn de haog gestrits (=zo'n waardeloos ding als jij had nooit mogen geboren worden) (Munsterbilzen - Minsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen