Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `valt`

  1. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  2. daar valt wel een mouw aan te passen (=daar is wel een oplossing voor te vinden)
  3. de appel valt niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders )
  4. het lot valt altijd op Jonas (=hij heeft vaak pech)
  5. over smaak valt niet te twisten (=over verschil in smaak moet men geen ruzie maken)
  6. wie een kuil/put graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
  7. wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)

21 betekenissen bevatten `valt`

  1. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  2. Waar aas is vliegen kraaien (=Als er iets te halen valt staat iedereen vooraan)
  3. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  4. men kan geen kaalkop bij het haar vatten (=bij de arme valt niets te rapen)
  5. men kan geen kei het vel afstropen (=bij de arme valt niets te rapen)
  6. het heen en weer krijgen (=diarree krijgen - vooral gezegd van iets dat helemaal niet bevalt)
  7. er komt een dominee voorbij (=er valt een plotselinge stilte in een rumoerig gezelschap)
  8. van een kale kip kun je niet plukken (=er valt niets te halen bij iemand die niets heeft)
  9. je kunt van een kikker geen veren plukken (=er valt niets te halen bij iemand die niets heeft)
  10. elke gek heeft zijn gebrek (=er valt op iedereen wel iets aan te merken)
  11. (iets) staat op losse schroeven (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen)
  12. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  13. het bekomt hem als de hond de knuppel na het stelen van de worst (=het valt hem zwaar tegen)
  14. dat is makkelijker gezegd dan gedaan (=het valt in de praktijk nog niet mee)
  15. Wie met de duivel uit één schotel wil eten, moet een lange lepel hebben. (=Het valt niet mee iemand te bedriegen, die er zelf bedrieglijke parktijken op na houdt.)
  16. Met hem kan men geen spies draaien (=Met hem valt niet samen te werken)
  17. in iemands schaduw staan (=niet opvallen omdat iemand anders meer opvalt)
  18. met Sint Juttemis als de kalveren op het ijs dansen (=nooit (Sint Juttemis valt op 17 augustus, en dan ligt er geen ijs))
  19. de mijn is verkeerd gesprongen (=ongeveer als: wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in)
  20. als het melk regent, staan mijn schotels omgekeerd (=wanneer ergens iets voordeligs te verkrijgen valt, loop ik het steevast mis)
  21. van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)

Het dialectenwoordenboek kent 93 spreekwoorden met `valt`

  1. Giethoorns: Hi-j valt van de benen.de benen gaon em onder 't gat weg (=Hij valt)
  2. Westerkwartiers: dat vaalt niet toe (=dat valt niet mee)
  3. Hoogstraats: zjuust ze voader (=de appel valt ...)
  4. kortemarks: tstikt doîgn uut (=het valt op)
  5. Lichtervelds: je volt achtrovre up zne buuk (=hij valt achterover)
  6. Hoogstraats: zen blaffeture vallen dicht (=hij valt in slaap)
  7. Helmonds: BENDE GAJ HOOMOO OF WA! ! (=valt u op mannen)
  8. Sint-Niklaas: oepla, oeplala (=uitroep als er iets valt)
  9. Antwerps: t'is koekenaai (=alles valt binnen de plooien)
  10. Sint-Niklaas: da fal mee (=dat valt gunstig uit)
  11. Antwerps: Klatschboempataatoeptoafel (=Een gerechtschotel die op tafel valt)
  12. Veurns: 't Oazegrauwt (=De duisternis valt)
  13. Bilzers: 't kos êrger (=het valt allemaal nogal mee)
  14. Bilzers: terdievel éstermét gemoeid (=dat valt lelijk tegen)
  15. Oudenbosch: ut gaodallemaol nie vaneigus (=dat valt niet mee)
  16. Lommels: dè got tege zenne zjiep (=dat valt tegen)
  17. Lichtervelds: ze ligt in deuzlienge (=ze valt half in slaap)
  18. Neerpelts: dè gut hum tegen z'un zjat (=dat valt hem tegen)
  19. Waregems: 't doet dr'omme, 't moe dr'omme doen (=het valt ongelukkig samen)
  20. Geffes: da lupt wel los (=dat valt allemaal wel mee)
  21. Waregems: 't sloa mee/ teeg'n (=het valt mee/ tegen)
  22. Oudenbosch: ij schiet makkeluk uit z n pak (=hij valt vaak uit)
  23. Westerkwartiers: dat dörp liekt wel uutsturv'm (=in dat dorp valt niets te beleven)
  24. Veurns: 't Is è kaf an m'n ieël'n (='t valt me niet moeilijk)
  25. Munsterbilzen - Minsters: dat geet tich tiëge zen daus (=dat valt u wat tegen !)
  26. Westfries: Louf ken lang an (=Dat moe van jou valt wel mee)
  27. Hoarens (haren nb): Ut lupt wel los (=Het valt allemaal wel mee)
  28. Deinzes: Het kletst tegen den dek (=Het valt op de grond)
  29. Poperings: e volt doa kul over kloètn (=hij valt heel ongelukkig neer)
  30. Munsterbilzen - Minsters: auttet zelfde hoot gesnieë (=de appel valt niet ver van de boom)
  31. Gronings: de appel vaalt nooit wied van de boom (=de appel valt nooit ver van de boom)
  32. Weerts: Dao vèltj gein rechte voor met te plooge (=Daar valt geen land mee te bezeilen)
  33. Waregems: 't vlieg' 'n beetse natte/nadde (=er valt een spatje regen)
  34. Mestreechs: we un kl gruf (=wie een kuil graaf voor een ander ,, valt er zelf in)
  35. Liemers: As de hemel vil zun alle musse dood. (=Als de hemel valt zijn alle mussen dood)
  36. Bevers: Beschete koei, beschete kallef (=De appel valt niet ver van de boom)
  37. Utrechts: As de Dom valt Leigh die in de Zoadelstroat. (=As is verbrande turf)
  38. Tilburgs: et sneut nie ècht, der valt mar en bietje griezel. (=het sneeuwt niet echt, er valt maar een beetje stofsneeuw.)
  39. Achterhoeks: at met völt geet de boer worsten. (=Als het met valt gaat de boer worsten)
  40. Munsterbilzen - Minsters: de snei lik (vilt) ne kilo dik (=er ligt (valt) veel sneeuw)
  41. Gronings: de abbel vaalt nooit ver vanne boom (=de appel valt nooit ver van de boom)
  42. Weerts: Aan de vaere kindje de vuuëgel (=De appel valt niet ver van de boom)
  43. west-vlaams: ons poezeke is schijl (=de kat valt niet ver van de boom)
  44. Nunspeets: Der vuilt neet mee te egen of te ploegen (=Er valt niks mee te beginnen)
  45. Twents: Laot mear kuuln t löp wal lös (=Laat maar gaan het valt wel mee)
  46. Lichtervelds: je stoat te kwakkeln up ze bièènn (=hij valt bijna door zijn benen)
  47. Westerkwartiers: van 'n kikker ken je gien veer'n plukk'n (=waar niets is valt niets te halen)
  48. Achterhoeks: A'j niks zegt, völt't ok niet op da'j dom bunt. (=Als je niks zegt, valt het ook niet op dat je dom bent)
  49. Helmonds: valt kapot gai lillik verreke (=ach, hou toch op)
  50. Moorsel: iën dadop aa'n nek valt (=onaangekondigd bezoek)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen