Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `baan`

  1. dat is van de baan (=dat gaat niet door)
  2. een dijk van een baan (=een geweldige baan)
  3. het katje van de baan (=degene die baas speelt)
  4. iets op de lange baan schuiven (=iets uitstellen)
  5. op de baan lopen (=tippelen)
  6. op een gladde baan/weg zijn (=zijn ondergang tegemoet gaan)
  7. ruim baan maken (=voldoende plaats maken)

7 betekenissen bevatten `baan`

  1. aan de bak komen (=aan de beurt komen; een baan krijgen)
  2. goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
  3. een dijk van een baan (=een geweldige baan)
  4. iemand te paard helpen (=iemand een goede baan helpen krijgen)
  5. iemand de voet lichten (=iemand op gemene manier de baan afnemen)
  6. in het diepe gegooid worden (=in een baan aan het werk moeten zonder ingewerkt te worden)
  7. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 23 spreekwoorden met `baan`

  1. Diesters: bongke rije (=baantje glijden op het ijs)
  2. Gronings: ai is baange veur zien aaierkorfie (=Hij is bang voor zijn hachje)
  3. Westerkwartiers: hij's baang veur zien eig'n hachje (=hij vreest voor zijn eigen lichaam)
  4. Kaatsheuvels: baankske van de Rooy (=Boerenleenbank (nu Rabobank))
  5. Veussels: platten baand hemme (=lek rijden)
  6. Hoogstraats: platten baand hebben (=lek rijden)
  7. Westerkwartiers: ze het 'n luuzeleempje (=zij heeft een gemakkelijk baantje)
  8. brabants: Wa sjouwde gij? (=Wat voor baan heb jij?)
  9. Westerkwartiers: preek'n veur stoel'n en baank'n (=voor een (bijna) lege kerk preken)
  10. Zunderts: vast loown vast aarmoei (=een vaste baan)
  11. Westerkwartiers: hij stekt 'et niet onner stoel'n of baank'n (=hij komt er openlijk voor uit)
  12. Oudenbosch: deur de baank genome komdur wel aon uit (=er iets (voordeel) aan overhouden)
  13. Katwijks: hij hep een stee (=hij is heeft een baan op het schip)
  14. Munsterbilzen - Minsters: dae hètte slaog te pakke (=die kan er goed mee over de baan)
  15. Westerkwartiers: die kirrel het 'n hondeboan (=die man heeft een slechte baan)
  16. tervurens: oon de waggel aave (=bezig houden of op de lange baan schuiven)
  17. Londerzeels: tsaan de baan (=naast de weg)
  18. Hasselts: Hieë zeûp de baan vanne ton aaf (=Hij drinkt als een tempelier)
  19. Venloos: De kins mich ein eike euver de baan rolle (=Je kunt me wat)
  20. Dilbeeks: Daa kamion sloog weg en wei (=Die vrachtwagen zwalpte over de baan)
  21. Aalsters: skaan, fistjen baan (=we gaan een feestje bouwen)
  22. Twents: As d'r nen Mona Lisa op de baank(e) zit kriegie nen kearl 't hoes nich oet.* (=Als er een Mona Lisa op de bank zit krijg je de man de deur niet uit)
  23. Teralfene: uin den euverkant vant struit leit er oewek wuiter op de buin (=aan de overkant van de straat ligt er water op de baan)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen