Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

6 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `lukken`

  1. de vruchten van iets plukken (=het voordeel van iets hebben)
  2. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  3. je kunt van een kikker geen veren plukken (=er valt niets te halen bij iemand die niets heeft)
  4. twaalf ambachten, dertien ongelukken (=wie telkens van beroep verandert, slaagt uiteindelijk nergens in)
  5. van een kale kip kun je niet plukken (=er valt niets te halen bij iemand die niets heeft)
  6. van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=telkens ander werk doen maar er bij geen van allen iets terecht brengen)

21 betekenissen bevatten `lukken`

  1. die haring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje schijnt niet te lukken)
  2. daar kan niets van inkomen (=dat zal niet lukken)
  3. driemaal is scheepsrecht (=de derde keer zal je wel gaan lukken)
  4. roet in het eten gooien (=de pret bederven of een plan laten mislukken)
  5. de baars vergallen (=de zaak laten mislukken)
  6. die vlieger gaat niet op (=die gedachte gaat niet lukken)
  7. om zeep brengen/helpen/zijn (=doden/mislukken)
  8. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  9. voorkomen is beter dan genezen (=door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen)
  10. in het water vallen (=falen (een opzet, een voornemen, een plan), mislukken, niet doorgaan)
  11. schipbreuk lijden (=het niet tot zijn doel geraken / mislukken)
  12. met de beste wil van de wereld (=hoe graag ik het ook wil, het zal niet lukken)
  13. Aan een dood paard trekken. (=Je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
  14. Op een blind paard wedden. (=Je inzetten voor iets wat gedoemd is te mislukken)
  15. op de klippen lopen (=mislukken)
  16. spaak lopen (=mislukken)
  17. verdrinken eer men water gezien heeft (=mislukken voordat het begonnen is)
  18. twee linkerhanden hebben (=onhandig zijn, werk altijd laten mislukken)
  19. die niet omziet is haast teniet (=overhaastig werken leidt tot ongelukken)
  20. naar de kelder gaan (=verongelukken (en met een schip: zinken))
  21. in de soep lopen (=volledig mislukken (van een plan))

Het dialectenwoordenboek kent 8 spreekwoorden met `lukken`

  1. Munsterbilzen - Minsters: onder zen fiaul ! (=dat gaat niet lukken !)
  2. Brakels: ne mènke goa wè (=het zal wel lukken)
  3. Bilzers: zau geet de beloeng nie op (=dat gaat niet lukken)
  4. Sint-Niklaas: zalt goan? gont? (=gaat het lukken? lukt het?)
  5. Waarschoots: au hoaring za nie broan (=het het zal je niet lukken)
  6. Tilburgs: asset lukt kalleft den os ! (=ja als ! Er moet een wonder gebeuren wil het lukken.)
  7. Tilburgs: ut gao zò ut gao, mar ut mot gaon (=hoe het ook gaat, het moet lukken)
  8. Munsterbilzen - Minsters: wo lengs zene mond aofhink, ès oo spijtig ! (=je hebt maar éénmaal de kans en het wil niet lukken)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen