152 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `HI`
- aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor HIj in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
- aan het lijf scHIeten (=haastig aantrekken (kleding))
- achter de wolken scHIjnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
- afwijzend bescHIkken op (=het verzoek weigeren)
- al zijn patronen verscHIeten (=alle mogelijkheden uitproberen)
- alle baat helpt zei de scHIpper, en HIj blies in het zeil (=alle beetjes helpen)
- als `t scHIp zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
- als David zijn volk telde verloor HIj de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
- als de maan vol is scHIjnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
- als het scHIp lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
- als je hem een vinger geeft, neemt HIj de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
- als je je pet ertegenaan gooit dan blijft HIj hangen (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd)
- als paddenstoelen uit de grond scHIeten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
- april doet wat HIj wil (=april geeft onvoorspelbaar weer)
- buig de boom als HIj jong is (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
- daar is geen woord Frans/Latijn/CHInees bij (=iedereen kan dat begrijpen)
- daar komt een scHIp met zure appels (=daar komt een stevige regenbui aan)
- dan moet de wal het scHIp maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
- dat hangt als een scHIjthuis boven de gracht (=dat is overduidelijk)
- dat is van de CHInese kerk. (=dat is een gerucht.)
- dat kan HIj in zijn zak steken (=dat is raak - die zit!)
- de acHIllesHIel (=de zwakke kant/plek van iets)
- de druiven zijn zuur (zei de vos maar HIj kon er niet bij) (=van iets dat men niet krijgen kan, zeggen dat men het niet wil)
- de duivel scHIjt altijd op de grootste hoop (=het ongeluk treft meestal degenen die al in moeilijkheden verkeren.)
- de haring braadt HIer niet (=het gaat niet zoals het zou moeten)
- de HIelen lichten (=weggaan)
- de hoofdvogel scHIeten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
- de huid van de beer niet verkopen voor HIj geschoten is (=je moet niet al willen genieten van wat men nog niet verworven heeft)
- de koe is vergeten dat HIj kalf geweest is. (=zeurende ouderen vergeten dat ze vroeger ook wild waren)
- de laatste der MoHIkanen zijn (=de laatste zijn die nog ergens in gelooft)
- de mens wikt, maar God bescHIkt (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
- de ratten verlaten het zinkende scHIp (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
- de wal keert het scHIp (=door beperkingen enigerlei niet verder kunnen)
- de zeilen HIjsen (=opstaan, vertrekken)
- de zon in het water kunnen zien scHIjnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
- de zon niet in het water kunnen zien scHIjnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
- een appeltje met iemand te scHIllen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
- een blinde scHIet soms wel eens een kraai. (=zelfs iemand die niet erg bedreven is heeft soms geluk en doet iets goed)
- een bok scHIeten (=een grote fout begaan of zich lelijk vergissen)
- een dag is nooit zo nat of de zon scHIjnt altijd wat (=ook bij nare situaties zijn er lichtpuntjes)
- een haas is graag waar HIj geworpen is. (=ieder wil graag zijn waar hij geboren is)
- een klein lek doet een groot scHIp zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
- een kleine aardappel moet je niet scHIllen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
- een scHIp op het strand is een baken in zee (=van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren)
- een verscHIl van dag en nacht. (=een heel groot verschil.)
- elk zijn meug, zei de boer en HIj at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
- er dienen geen twee masten op een scHIp (=er kan er maar één het bevel voeren)
- er is geen rooi mee te scHIeten (=je kan er niets mee aanvangen)
- er is maar een grote mast op een scHIp (=er is er maar één de baas)
- geef een ezel haver en HIj loopt naar de distels. (=mensen zijn soms koppig en willen geen hulp of advies)
226 betekenissen bevatten `HI`
- als het in de kajuit regent ,druipt het in de hut (=als de baas problemen heeft, krijgen ook de ondergescHIkten hun deel)
- als het hek van de dam is lopen de varkens in het koren (=als er geen toezicht is springen kinderen of ondergescHIkten uit de band)
- als de kat van honk is dansen de muizen op tafel (=als er geen toezicht is, doen de ondergescHIkten hun zin)
- wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarscHIjnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
- een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er HIer of daar wat aan mankeert.)
- wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorscHIjn)
- twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verscHIllend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
- zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof HIj door zijn geweten beschuldigd wordt)
- de kerk in het midden laten (=bij een meningsverscHIl geven beide personen wat toe om het eens te worden)
- dat is algabra voor hem. (=daar snapt HIj niets van.)
- dat ligt hem in zijn mond bestorven (=daar spreekt HIj veel over)
- dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal HIj wel veel geld mee verdiend hebben)
- die haring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje scHIjnt niet te lukken)
- dat was Grieks voor hem (=dat begreep HIj niet)
- dat gaapt zo wijd als een oven (=dat is hoogst onwaarscHIjnlijk)
- dat is een ver-van-mijn-bedshow (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van HIer gebeurt)
- dat gaapt als een oven (=dat is onwaarscHIjnlijk)
- dat staat niet in zijn woordenboek (=dat kent HIj niet, daar doet HIj niet aan mee, heeft HIj nog nooit van gehoord)
- het waren allebeiden vuilaards. (=de een verwijt de ander iets waaraan HIj zich)
- de wind eronder hebben (=de ondergescHIkten hebben angst)
- de grote vissen eten de kleine (=de ondergescHIkten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
- er de wind onder hebben (=de schrik erin hebben zitten bij ondergescHIkten)
- tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverscHIllen om goed te kunnen samenwerken)
- tegen de muur zetten (=doodscHIeten)
- over lijken gaan (=doordouwen zonder oog voor etHIek of moraal)
- het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het scHIjnbaar altijd beter)
- de bout op de kop krijgen. (=een gescHIl verliezen)
- een slok op een borrel schelen (=een groot verscHIl maken)
- een verschil van dag en nacht. (=een heel groot verscHIl.)
- de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelscHIeten)
- een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (HIstorisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
- tweede viool spelen (=een ondergescHIkte rol spelen.)
- iets op een procrustesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat HIj er voordeel van heeft)
- een pilaarbijter (=een zeer scHIjnheilig / hypocriet persoon)
- doorgestoken kaart (=er is heel duidelijk iets mis! HIer is getracht om iemand te laten geloven dat er bij toeval iets gebeurt, terwijl het in feite van tevoren gearrangeerd is)
- er voor in de wieg gelegd zijn (=er zeer gescHIkt voor zijn)
- er voor geknipt zijn (=er zeer gescHIkt voor zijn)
- vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opscHIeten)
- iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich HIermee bezig kan houden)
- korte rekeningen maken lange vriendschappen. (=financiële gescHIllen moet je direct oplossen)
- geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen scHIjn van kans blijken te hebben)
- als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=genoegen nemen met wat er bescHIkbaar/mogelijk is)
- op goede voet staan met iemand (=goed kunnen opscHIeten)
- in Rome geweest zijn, maar de Paus gemist hebben (=het belangrijkste laten scHIeten)
- de haring over de kop varen (=het doel voorbijscHIeten)
- de breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=het is gemakkelijk met kwistige hand te bescHIkken over wat een ander toebehoort)
- het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezicht te lezen dat HIj een schurk is)
- wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als HIj dat niet wil)
- het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verscHIllende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
- of men van de kat of de kater gebeten wordt (=het maakt geen verscHIl)
38 dialectgezegden bevatten `HI`
- alla HI ni je moeder en zei asse koekn bakt (=in de weg lopen) (Zeeuws)
- anheklie-ed HI uut (=deftig) (Zeeuws)
- d'n hoan HI de henne getreeije (=de haan heeft de hennen getreden (besprongen) ) (Boakels)
- dê HI veul kreum gekôst um dien bôm um te doewe (=dat heeft veel inspanning gekost om die boom neer te halen) (Boakels)
- Die hí over Bats ní Borsele (=via Bath naar Borssele gaan, breedsprakig zijn) (Zeeuws)
- Dn dieje dor die HI ne neije waoge en dor stottie al dn hullen dag nor te kieke, zu gruts dettie is (=HIj daar heeft een nieuwe auto en daar staat HIj al de hele dag naar te kijken, zo trots als HIj is) (Liessents)
- ge moet joen mulle oen HI (=ge moet zwijgen gij) (Werviks)
- hai HI de klirre aangehad (=HIj heeft voor priester gestudeerd gehad) (Boakels)
- Hì der waoter in oere köller (=Broek te kort) (Stals)
- HI drigt ug gen huj in ow schoen (=van hem krijg je niets) (Budels)
- HI j mee dan HImme krukelsrippen (=alikruiken rapen) (Zeeuws)
- HI j schooven (=ga je naar huis) (Zeeuws)
- HI jie mae wig (=ga jij maar weg) (Zeeuws)
- hí n'n neije (=heeft een nieuwe) (gemerts)
- HI ni je moeder en zei asse koekn bakt (=ga weg) (Zeeuws)
- HI spronk zo hoog as de dom / Zo hoog as de dom springuh. (=torenhoog springen) (Utrechts)
- HI toch oepelen (=ga toch weg) (Zeeuws)
- HI us een eidje omme (=schuif een stukje op) (Zeeuws)
- HI us om t errebezem laddertje (=klein persoon) (Zeeuws)
- HI zit langs hum (=HIj zit naast gem) (Geldrops)
- HIj HI ginne zak mi erpel (=HIj heeft geen zak met aardappelen (gezegd over een vader van een groot gezin) ) (Ossies)
- HIj HI ut getroffe (=HIj heeft geboft) (Lierops)
- hoeveul hì t urste gespeuld (=heeft het eerste elftal van het voetbal de wedstrijd gewonnen) (Reusels)
- ie HI bie zn broead uut (=brood meenemen) (Zeeuws)
- ie HI nog liever van zn heloof of voe atn za toeheven (=vast houdend) (Zeeuws)
- ie sprong ter op asn duvel op HI -erad (=reageren) (Zeeuws)
- jis bizzig toedn met e gès (=HI laat zich gemakkelijk aan het lijntje houden) (Kortemarks)
- Kou het vergeetn dat e kaalf west het (=HHIj / zij vergeet dat HI / zij ook jong geweest is) (Gronings)
- noe HI mn lampje hlad uut (=onbegrijpelijk) (Zeeuws)
- t gi zo lank hoed toet a t t fout HI (=goed of fout) (Zeeuws)
- t HI nie fan eihens (=tgaat moelijk) (Zeeuws)
- t HI op zn ellevendertigst (=tgaat niet vlot) (Zeeuws)
- tkom te perde en t HI tevoete wee wig (=ziek) (Zeeuws)
- wie HI da gezeet (=Wie heeft dat gezegd) (Dinthers)
- wuk zi HI ant doen? (=wat ben jij aan het doen?) (Iepers)
- ze HI se los in de koy (=vrouw zonder bh aan) (Gemerts)
- zieje HI e kiekn! (=tegen iemand die iets verkeerd doet) (Iepers)
- Zo gaaw as de moawen driej toweten HI (=Het zal nooit gebeuren) (Lommels)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen