Spreekwoorden met `zi`

Zoek


970 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zi`

  1. hoer en tollenaar zijn onze lieve Heer ook dierbaar (=hoe slecht je afkomst is, God houdt van je)
  2. hoeren en dieven, met geld zijn zij mijn gelieven (=met geld krijg je vrienden)
  3. hoog te paard zitten (=verwaand zijn, eigendunk hebben)
  4. horen zien en zwijgen (=wel waarnemen, maar er verder niets van zeggen)
  5. horende doof zijn (=niet luisteren)
  6. hou je gezicht (=zwijg!)
  7. ieder bakt zijn koek zoals hij hem eten wil. (=iedereen behartigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  8. ieder huisje heeft zijn kruisje (=er mankeert overal wel iets)
  9. ieder is zichzelf het naast (=iedereen kiest in het slechtste geval voor zichzelf)
  10. ieder kwartier heeft zijn manier. (=elke streek heeft haar eigen gebruiken)
  11. ieder meent dat zijn eigen pak het zwaarst is. (=mensen overdrijven hun eigen moeilijkheden in vergelijking met die van anderen)
  12. ieder moet zijn eigen kruis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verwerken)
  13. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zich afvragen of hij zelf schuldig is)
  14. ieder oortje brengt zijn gierigheid. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn (een oortje is een oude munteenheid))
  15. ieder trekt aan zijn streng (=ieder kiest voor zichzelf)
  16. ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
  17. ieder voor zich en God voor ons allen (=niemand helpt elkaar)
  18. iedere heilige komt zijn kaarsje toe (=iedere medewerker moet delen in de eer)
  19. iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn)
  20. iedereen moet zijn last dragen (=ieder heeft zijn problemen)
  21. iemand aan zijn angel krijgen (=iemand in zijn macht krijgen)
  22. iemand aan zijn woord houden (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  23. iemand achter de broek/veren/vodden zitten (=iemand aansporen/opjagen / nauwlettend volgen)
  24. iemand de hielen laten zien (=inhalen of beter presteren dan de ander)
  25. iemand een pluim op zijn hoed steken (=iemand complimenteren)
  26. iemand iets op zijn brood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)
  27. iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand aan zijn lot overlaten (iemand die iets niet goed gedaan heeft))
  28. iemand in zijn eigen vet gaar laten smoren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
  29. iemand in zijn kielwater zeilen (=iemand op de hielen volgen)
  30. iemand na in den bloede zijn (=van iemand een bloedverwant zijn)
  31. iemand naar de ogen zien (=proberen iemands` wensen te raden)
  32. iemand niet kunnen luchten of zien (=een hekel aan iemand hebben)
  33. iemand of iets de baas zijn (=iemand of iets kunnen overmeesteren)
  34. iemand of iets over het hoofd zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien)
  35. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  36. iemand onder zijn vleugels nemen (=iemand beschermen of verzorgen)
  37. iemand op de hielen zitten (=iemand bijna te pakken hebben)
  38. iemand op zijn nummer zetten (=iemand zeer nadrukkelijk op zijn fouten wijzen, op een wijze die voor die persoon beschamend is)
  39. iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en ongenoegen over iemand uiten)
  40. iemand op zijn voorman zetten (=iemand nadrukkelijk op zijn plicht wijzen)
  41. iemand op zijn wenken bedienen (=iemand altijd en onmiddellijk geven waar hij om vraagt)
  42. iemand op zijn zeer trappen (=ergens over praten wat door iemand als erg onplezierig ervaren wordt)
  43. iemand tegen zich in het harnas jagen (=iemand door eigen toedoen boos maken)
  44. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  45. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  46. iemand van zijn stuk brengen (=iemand onzeker maken)
  47. iemand voor vol aanzien (=iemand serieus nemen en respecteren.)
  48. iemand zien aankomen (=weten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)
  49. iemand zijn vet geven (=iemand flink de waarheid zeggen)
  50. iemands oogappel/ooilam zijn (=iemands lieveling zijn (vaak kind))

1331 betekenissen bevatten `zi`

  1. niet goed snik zijn (=gek zijn (iemand))
  2. van God los zijn (=gek zijn, boven de wet staan)
  3. je ogen vertrouwen (=geloven wat men ziet)
  4. vuur in de ogen hebben (=gemotiveerd en passioneel zijn)
  5. je eindje wel kunnen halen (=genoeg (geld) hebben tot aan zijn dood)
  6. het zat zijn (=genoeg ergens van hebben en er geen zin meer in hebben)
  7. zo glad als een aal (=geslepen, uitgekookt, iemand die zich overal uitpraat)
  8. van de kant zijn (=gestart zijn)
  9. ter ziele zijn / ter ziele gaan (=gestorven zijn of sterven, ook figuurlijk: iets dat niet meer bestaat of actief is)
  10. het is moeilijk de oude mens af te leggen. (=gewoonten zijn moeilijk af te leren)
  11. de deugd zit in het midden. (=gezegd als iemand tussenin zit)
  12. Hollands welvaren (=gezegd van een zeer gezond uitziend persoon)
  13. van de houvast zijn (=gierig of mager zijn)
  14. van de kleef zijn (=gierig zijn)
  15. op de penning zijn (=gierig zijn)
  16. uit de verf komen (=goed bij anderen overkomen / zich doen opmerken)
  17. ze alle vijf bij elkaar hebben (=goed bij zijn verstand zijn)
  18. dun snijden is het behoud van de worst. (=goed kunnen rondkomen door zuinig te zijn)
  19. beslagen ten ijs komen (=goed voorbereid zijn)
  20. met beslagen paarden op het ijs komen. (=goed voorbereid zijn voor zijn taak)
  21. aardewerk is geen paardenwerk. (=graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  22. zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet (=handel voorzichtig, dan mislukt het niet)
  23. poot-aan spelen (=hard doorwerken (om op tijd te zijn))
  24. geen voetbreed wijken (=hard op zijn standpunt blijven)
  25. door merg en been gaan (=hartverscheurend zijn)
  26. een gouden hart hebben (=heel aardig/lief zijn)
  27. geen nagel hebben om zijn gat te krabben (=heel erg arm zijn)
  28. als de dood zijn voor iets (=heel erg bang zijn voor iets)
  29. te dom zijn om voor de duvel/duivel te dansen (=heel erg dom zijn)
  30. met de ogen verslinden (=heel erg graag zien)
  31. zo lek als een zeef zijn (=heel erg lek zijn)
  32. zo slim als een vos zijn (=heel erg slim zijn)
  33. zo mak als een lammetje (=heel gedwee zijn)
  34. zo hongerig als een kerkrat/kerkmuis (=heel hongerig zijn)
  35. groen zien van jaloezie (=heel jaloers zijn)
  36. op je dooie gemak (=heel rustig, zonder zich te haasten)
  37. zo sterk als een paard. (=heel sterk zijn)
  38. geen vin verroeren (=heel stil zonder beweging zijn)
  39. op een goudschaaltje leggen/wegen (=heel voorzichtig afwegen)
  40. geen veer van de mond kunnen blazen (=heel zwak zijn, heel arm zijn)
  41. moederziel alleen (zijn) (=helemaal alleen (zijn))
  42. zo zat als een deur (=helemaal bezopen zijn)
  43. van de kook zijn (=helemaal in de war zijn)
  44. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  45. kruit noch lood hebben (=helemaal ongewapend zijn)
  46. uit het veld geslagen zijn (=helemaal van streek zijn)
  47. de neuzen tellen (=het aantal aanwezigen tellen)
  48. twee hoofden onder een kaproen zijn (=het altijd met elkaar eens zijn)
  49. twee handen op één buik zijn (=het altijd met elkaar eens zijn)
  50. wie wat bewaart, die heeft wat (=het bewaren van zaken kan op lange termijn voordelig blijken te zijn)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen