Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


9 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `haan`

  1. de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
  2. De haan en de vos hebben elkaar te gast (=Twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
  3. de rode haan laten kraaien (=iets in brand steken)
  4. een knorhaan pikken (=een dutje doen)
  5. er zal geen haan naar kraaien (=dat zal niemand te weten komen)
  6. geen haan die er naar kraait (=niemand zal het weten)
  7. haantje de voorste (=voortrekker - wie altijd op het voorplan wil staan)
  8. zijn haan moet altijd koning kraaien (=hij wil altijd de baas zijn)
  9. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van schaamte))

Het dialectenwoordenboek kent 71 spreekwoorden met `haan`

  1. Vechtdals: de haande doew (=de hand geven)
  2. Mestreechs: tempére-de lap laote drin haange (=rustig aan doen)
  3. Gelaens (Geleens): Veursjneppetig zeen. (=haantje de voorste zijn.)
  4. Gronings: Wat hest om haan's (=waar ben je mee bezig)
  5. Teralfene: NENEUNUIN (=EEN OUDE haan)
  6. Tilburgs: un aawerwèts haandketaaw (=een ouderwets handweefgetouw)
  7. Nunspeets: Een haand in 't rad slaon (=Een handje helpen)
  8. Westerkwartiers: hij is zwoar op 'e haand (=hij ziet overal problemen)
  9. Sallands: De haane op de knippe haolden. (=Op de centen letten.)
  10. Westerkwartiers: dat lijt veur de haand (=dat is vanzelfsprekend)
  11. Westerkwartiers: de haand d'r met licht'n (=de afspraken niet nakomen)
  12. Westerkwartiers: de haand an 'e ploeg sloag'n (=in aktie komen)
  13. Mestreechs: este ut laank höbs,lieste ut laank haange (=wanneer je goed bij kas zit)
  14. Oldebroeks: daor is een vreemde haane op de mèspluize ewest (=die heeft overspel geleegd)
  15. Brabants: unne goeie haan is nie vet (=een goede haan is niet vet)
  16. Sallands: niks (of: nums) meer um haandn hemmn (=klaar met werk/ niets meer te doen)
  17. Westerkwartiers: hij vragt om heur haand (=hij vraagt om haar hand)
  18. Tilburgs: hoens haon is dè (=wiens haan is dat)
  19. Heezers: haand in Pilatus pötje wasse (=zich onttrekken aan de verantwoordelijkheid)
  20. Munsterbilzen - Minsters: èn zen haan vrijve (=blij zijn)
  21. Koersels: Halven haan be appelspijs (=Halve kip met appelmoes)
  22. Sinttruins: in de riedzje haan (=onder controle houden)
  23. Munsterbilzen - Minsters: op haan zin (=zich afspelen)
  24. Peers: Hoe hie haan z'op (=Welke hoeden droegen ze)
  25. Westerkwartiers: één wat aan de haand doen (=iemand een goede tip geven)
  26. Twents: kheb vaker zukke haans heur'n krééjn, m'r sanderdaags veuln ze dood van'n stok. (=Mensen scheppen vaak op, maar maken het zelden waar.)
  27. Antwerps: zoë geve ze de keuning zaain haandschoene oëk (=gezegde als men iemand iets toegooid)
  28. Tilburgs: hur haande waare pèèrs van de kaaw (=haar handen zagen paars van de kou)
  29. Drents: Met de haanden in de schoot kriej gien brood (=Wie niet werkt zal niet eten)
  30. Boakels: d'n hoan hi de henne getreeije (=de haan heeft de hennen getreden(besprongen))
  31. Westerkwartiers: hij stak zien haand ien 'n wespenust (=hij ging zich met een vies zaakje bemoeien)
  32. Westerkwartiers: ik zet heur noar mien haand (=ik leer haar op mijn manier te werken)
  33. Munsterbilzen - Minsters: spaaj nog ès èn zen haan (=zet nog eens even door)
  34. Overpelts: ow haand oétstéke (=je hand uitsteken)
  35. Lopiks: de rooie haan derin (=een brandje stichten)
  36. Munsterbilzen - Minsters: haan waaj koëlesjoeppe (=grote handen)
  37. Munsterbilzen - Minsters: zen haan bènnëstebaute ston hëbbe (=onhandig zijn)
  38. Munsterbilzen - Minsters: kaa haan, werm liefde (=warmte zit van binnen)
  39. Westerkwartiers: hij streek zien haand over 't haart (=hij zag het door de vingers)
  40. Eys: enge èk aaf haan (=getikt zijn (gek zijn))
  41. Munsterbilzen - Minsters: èn zen haan spaaje (=eraan beginnen)
  42. Munsterbilzen - Minsters: twei linker haan hëbbe (=onhandig zijn)
  43. Munsterbilzen - Minsters: zen haan verkeird hübbe ston (=onhandig, lui zijn)
  44. Munsterbilzen - Minsters: aste spech laach, wiëd rènger verwaach (=kraait de haan bij avond of nacht, dan wordt er ander weer verwacht)
  45. Liwwadders: dou kest mie de haan naaie! (=je kunt me de pot op!)
  46. Munsterbilzen - Minsters: rap van taan ès rap van haan (=wie snel wil eten moet ook snel werken)
  47. Westerkwartiers: ik heb 't ien 'e haand (=ik heb het onder controle)
  48. Westerkwartiers: woaraarg'ns de leste haand aan legg'n (=iets afmaken)
  49. Gronings: Hai luip op hozevöddels over beune mit 't schienvat in haand om siepels te hoalen. (=vdsgsfh)
  50. Munsterbilzen - Minsters: spaaj es èn zen haan (=begin eens te werken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen