125 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `goe`
- met een dood kalf is het goed sollen (=men kan gerust wat proberen met iets dat al verloren is)
- met een goed geloof en een kurken ziel drijft men de zee over (=met vertrouwen en optimisme kan men alles aan)
- na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
- niet goed bij zijn hoofd zijn (=niet goed wijs zijn, gekke dingen doen)
- niet goed bij zijn positieven zijn (=niet op zijn gemak zijn, een beetje ziek zijn)
- niet goed snik zijn (=gek zijn (iemand))
- niet het vele is goed, maar het goede is veel. (=kwaliteit is beter dan kwantiteit)
- niet in een goed vel steken (=altijd ziek zijn, nooit gezond)
- onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
- op goed af spelen (=op goed geluk spelen)
- op goede voet staan met iemand (=goed kunnen opschieten)
- over de doden niets dan goeds (=men ziet kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood)
- te goeder naam en faam bekend staan (=bekend staan voor goede dingen)
- te goeder trouw (=naar beste weten en eerlijk handelend)
- uit een goed nest komen (=van goede afkomst zijn)
- uit het goede hout gesneden zijn (=van goede afkomst zijn / een goed karakter hebben)
- verandering van weide doet de koeien goed. (=afwisseling en verandering positieve effecten kunnen hebben)
- vissen hebben een goed leven (=het gelag niet betalen)
- voor de wind is het goed zeilen (=onder gunstige omstandigheden is het gemakkelijker succes te hebben)
- voor geen geld of goede woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argumenten iemand ook naar voren brengt)
- voor goede munt aannemen (=geloven)
- waar het warm is, is het goed vrijen. (=mensen uit een rijke familie kunnen makkelijker een partner krijgen)
- wat goed eet, schijt goed. (=gezond eten laat het lichaam goed functioneren.)
- werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
- wie goed doet, goed ontmoet (=wie goede dingen doet voor andere mensen kan soms ook goede dingen terug verwachten)
318 betekenissen bevatten `goe`
- een goed begin heeft een goed behagen maar het eindje zal de last dragen (=goed beginnen is prima, maar je moet volhouden tot het einde)
- uit de verf komen (=goed bij anderen overkomen / zich doen opmerken)
- bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
- ze alle vijf bij elkaar hebben (=goed bij zijn verstand zijn)
- de tafel eer aandoen (=goed en veel eten)
- een goede dam leggen. (=goed eten (voor het drinken van alcohol))
- je kaken roeren. (=goed eten of praten.)
- een vette bek halen. (=goed eten, vooral frituur)
- op goede voet staan met iemand (=goed kunnen opschieten)
- een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen uitleggen)
- dun snijden is het behoud van de worst. (=goed kunnen rondkomen door zuinig te zijn)
- een goed mondstuk hebben (=goed kunnen spreken)
- een goed hart toedragen (=goed kunnen verdragen)
- handen aan het lijf hebben (=goed kunnen werken)
- zo dicht als een pot zijn (=goed kunnen zwijgen/geheimen bewaren)
- de oren scherpen (=goed luisteren)
- de oren spitsen (=goed luisteren)
- goede waar prijst zichzelf (=goed materiaal moet niet aangeprezen worden)
- in ere houden (=goed onderhouden, niet laten voorbijgaan)
- in de oren knopen (=goed onthouden)
- op elkaar lijken als het ene ei op het andere (=goed op elkaar lijken)
- men wordt wel door een mestkar maar niet door een rijtuig overreden (=goed opgevoede mensen beledigen anderen minder)
- op je qui vive zijn (=goed opletten)
- uit de doppen kijken (=goed uitkijken)
- beslagen ten ijs komen (=goed voorbereid zijn)
- met beslagen paarden op het ijs komen. (=goed voorbereid zijn voor zijn taak)
- van wanten weten (=goed weten hoe men iets moet aanpakken)
- buig de boom als hij jong is (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
- het takje buigen als het nog jong is (=goede gewoonten leert men het beste op jonge leeftijd aan)
- de vogel over het net laten vliegen (=goede kansen niet aangrijpen)
- goederen in de dode hand (=goederen die niet vererven)
- je zegel aan iets hechten (=goedkeuring of toestemming ergens aan geven)
- wie werkt als een paard zal haver eten. (=hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
- op je duimpje kennen (=heel goed kennen, van buiten weten)
- geheel oog zijn (=heel goed opletten)
- geheel oor zijn (=heel goed opletten - goed luisteren)
- het einde van het liedje (=het einde van iets goeds)
- op fluweel zitten (=het erg goed en gemakkelijk hebben)
- de klad zit er in (=het gaat niet goed)
- een dronkemansgebed doen (=het geld natellen (als het zo goed als op is))
- de schapen van de bokken scheiden (=het goede van het slechte scheiden)
- parels/paarlen voor de zwijnen werpen (=het goede verspillen aan hen die het niet verdienen/waarderen)
- het is galgen of burgemeesteren. (=het is goed of fout, er is geen tussenweg)
- het is gezond om in het vuur te pissen (=het is goed om hevigheid te kalmeren)
- laat maar zitten (=het is goed zo)
- zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens (=het is nergens zo goed als thuis)
- late haver komt ook op (=het is niet omdat iets laat komt, dat het niet goed zou zijn)
- de vruchten zullen de beloften der bloemen overtreffen (=het is nu al goed, maar het eindresultaat wordt nog veel beter)
- het is een hopje in een brouwketel (=het is zo goed als niets)
- het is altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte tijden)
50 dialectgezegden bevatten `goe`
- goe smjeiren (=goed eten en drinken) (Sint-Niklaas)
- goe stoffoche, goe bucht, goe tuuch (=goede kwaliteit) (Veurns)
- goe tiuëbe goan (=goed bij mekaar passen) (Kaprijks)
- goe van den tongriem gesneen (=goed kunnen uitleggen) (Kaprijks)
- goe veurzien van uëren en puëten (=weelderige vormen hebben) (Meers)
- goe zèn vuës augen (=zingen, goed de toonhouden) (Meers)
- goe zijn lièëze vuwn [zijn laars vullen] (=gratis eten en drinken) (Kaprijks)
- Ha hee wee een ferrem stuk in zane frak / ha is wee goe betaffeld (=Hij is serieus dronken) (Olens)
- Hebdege goe geté (=Heb je goed gegeten) (Schels)
- hij is goe opgedreugd (=goed eruitzien) (Astens)
- hije es goe getappeseert (=dronken zijn) (Londerzeels)
- ie jeet hem goe ip (mee s'n eig'n) (=hij heeft het goed voor (met zichzelf) ) (Waregems)
- Ie mak nog oal goe van zyn'n deuvle (=Hij maakt zich nogal boos) (Harelbeeks)
- ie tert goe deure (=hij stapt flink door) (Waregems)
- Iemand een goe kotering geven (=Iemand stevig aanpakken) (Moes)
- Iet goë slauge (=Voor iets zorg dragen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- ij is goe ter toale (=hij kan het goed uitleggen) (Kaprijks)
- ij keu zij muile goe afspeeln (=hij kan het vlot uitleggen) (Kaprijks)
- ij stoad'op een goe wêjken (=hij is rijk getrouwd) (Kaprijks)
- ik zen nie goe (=ik ben ziek) (Geels)
- In gie goe vel zitten (=De gezondheid is niet goed.) (Bevers)
- ip goe ruskier (=op goed geluk af) (Waregems)
- J'es te goe dat ie nie 'n deug (=Hij is veel te braaf) (Harelbeeks)
- jè ze goe gesnukt (=hij heeft ze goed verdiend) (Kortrijks)
- Je zie-gie zeekr van 't goe joar? Hiermee wijst men iemand terecht die onrealistische dingen verwacht van een ander. Zie ook 'Jij zijt zeker van alhier niet?' (=Jij zijt zeker van 't goed jaar?) (Klemskerks)
- jee mao tgeld te scheppn, je zit er goe voîrn (=hij is zeer rijk) (Kortemarks)
- jeet e goe peele; je blinkt in zyn peele (=hij is dik) (Roeselaars)
- jester van kapot / ie 'n ester nie goe fan (=hij is erg aangeslagen) (Waregems)
- jis van goe ras (=hij is van goede komaf) (Lichtervelds)
- jis van goe ras (=hij is van goede afkomst) (Kortemarks)
- jowe kumt goe wonne (=jazeker dat komt goed) (Leissels)
- k ben d'r goe gevoeëren (=ik ben daar goed behandeld / goed uitgekomen) (Meers)
- kee d' n doar nekeer goe besnukt (=ik heb hem eens aandachtig bekeken) (Waregems)
- Krék goe (=Eigen schuld / net goed) (Deurns)
- me zijnder goe mee in doeninge (=ons contact met hen loopt vlot) (Waregems)
- Mèn vaur ukt ‘t goè snieve. (=Mijn achterwerk jeukt het zal gaan sneeuwen.) (Bierbeeks)
- nen totter goe (=vallen) (Overijses)
- ni goe bij zij verstand, da mankeert iets aan, ni honderd persent, achterlek, ni goe in zenen kop, bekke sumpel; debiel (=geestelijk gehandicapt) (Diesters)
- ni goe zjust zoan (=dwaas / gek zijn) (Booms)
- nie goe bae de zèen'n (=verstrooid, afwezig / dement) (Wichels)
- nie goe in zaën taloeër zaën (=zich niet goed voelen) (Winksels)
- nie goe snik zijn (=niet goed wijs zijn) (Graauws)
- nog goe be ‘t zijne zijn / be't hiuëre (=nog helder van geest zijn) (Kaprijks)
- oas ek ' t goe veure en (=als ik mij niet vergis) (Gents)
- oeër'n: goe verzien van oeër'n en poeët'n (=Weelderige boezem hebben) (Lebbeeks)
- oep 't goe val 't oët (=lukraak) (Winksels)
- ok-et goe viuërn e (=als ik me niet vergis) (Kaprijks)
- Op 't goe fallend uit. (=Op hoop van zegen.) (Bevers)
- Op 't goe fallent uit (=Op meeval rekenen) (Bevers)
- Op 't goe fallent uit. (=Op goed geluk af) (Bevers)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen