Spreekwoorden met `de pot`

Zoek


50 dialectgezegden bevatten `de pot`

  1. Hi'j had aoste de pot verteerd (=Hij was bijna verongelukt) (Giethoorns)
  2. Hij hée neffe de pot gepist (=Hij is vreemd gegaan) (Beerses)
  3. hij hèèget knap begaoid / noast de pot gepiest (=hij heeft het goed fout gedaan) (Kaatsheuvels)
  4. Hij is van de pot gerukt (=Hij spoort niet) (Amsterdams)
  5. Ie könt mie de hakke violen (=je kunt m'n rug of de pot op) (Achterhoeks)
  6. Ik adde aoste de pot verteerd (=Ik was bijna verongelukt) (Giethoorns)
  7. j' eet neevest de pot gepist (=vreemd gaan) (Brugs)
  8. je draojt roend de pot (=hij komt niet terzake) (Kortemarks)
  9. je droajt roend de pot (=hij draait er omheen) (Lichtervelds)
  10. je kan ter anangen (=de pot op) (Zeeuws)
  11. je vreet wat de pot schaft (=je eet wat er op tafel staat) (Westlands)
  12. je zal de pot meugn uutlekkn (=hij zal de kosten zelf mogen betalen) (Kortemarks)
  13. je zal meugn de pot uutlekkn (=hij zal moeten betalen) (Kortemarks)
  14. jee de pot uutgelekt, jeet de beutre uutgeetn (=hij is er het slachtoffer van) (Kortemarks)
  15. kak of gene kak : de pot op! (=zin of geen zin, het moet!) (Bilzers)
  16. kak of gene kak, de kons mich de pot op (=als je nu goesting hebt of niet, trap het hem af) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. kak of gene kak, de pot op! (=goesting of geen, vooruit!) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. kak of genen kak de pot op (=zin of geen zin je moet het doen) (Sint-Niklaas)
  19. kak of gieèn kak de pot up (=je moet het doen met of tegen je zin) (kortemarks)
  20. kak of gièèn kak de pot up (=willen of niet ge moet het doen) (Kortemarks)
  21. Kak of gieëne kak, de pot oep (=Zin of geen zin, het moet gebeuren) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  22. Kak of giene kak, de pot oep (=Zin of geen zin, het moet gebeuren) (Mechels (BE))
  23. kak of giene kak, de pot oep (=zin of geen zin, Je moet het doen) (Antwerps)
  24. kak of giëne kak, de pot op (=goedschiks of kwaadschiks, og je nu wil of niet wil) (Meers)
  25. kak of giëne kak, de pot op (=tegen wil of dank) (Meers)
  26. Kak of gienne kak de pot op (=Iets dat echt moet gebeuren) (Brussels)
  27. kak: Kak of giëne kak, de pot op (=Tegen wil en dank / willen of niet..) (Lebbeeks)
  28. Krieg ie toch un dikk'n (=Je kunt de pot op) (Achterhoeks)
  29. kus maain klute (=de pot op) (tervurens)
  30. leck mich am aasj (=je kunt me de pot op) (Heerlens)
  31. lêk men klitse! (=de pot op!) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. Lék mich am aarsj (=Je kunt mij de pot op) (Roermonds)
  33. lek mich de zök (=je kunt de pot op) (Tegels)
  34. lèk mich me vèsjke (=lik mijn hielen , je kunt de pot op) (Berg en Terblijts)
  35. lek ze mich ! (=je kunt me de pot op !) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. loop sjijte (=je kan me de pot op) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. maok et Pius, gij in de pòt schèète èn mèn laote stinke! (=kom nou kerel, mij voor jouw zaken laten opdraaien!) (Tilburgs)
  38. mé bloeme smééte ma de pot angt er nog an (=iemand beledigen) (Tiens)
  39. mijne zak kunde opblaoze (=je kunt de pot op) (Oudenbosch)
  40. Mit de knolle de pot in. (=Verspilde moeite.) (zaans)
  41. naast de pot pissen (=vreemd gaan) (Graauws)
  42. neevest de pot piessen (=naast de pot pissen) (Gents)
  43. neffes de pot pisse (=vreemd gaan) (tervurens)
  44. neffest de pot pissn (=vreemdgaan) (Brugs)
  45. neivest de pot pisse (=ontrouw zijn) (Brussels)
  46. Neuffest de pot pisse (=Vreemdgaan) (Mechels (BE))
  47. nevest de pot piesen (=vreemd gaan (overspel) ) (Lokers)
  48. nevest de pot pissen (=vreemd gaan) (Meers)
  49. niet teveel dêj verkiuëbm (=niet rond de pot draaien) (Kaprijks)
  50. Niffe de pot piese (=Een vergissing maken) (Helenaveens)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen