40 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `neus`
- aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
- allemans neus is geen kapstok. (=je moet niet alles aan iedereen vertellen.)
- bij de neus hebben (=iets wijsmaken)
- dat gaat zo tussen neus en mond (=dat gebeurt in een verloren ogenblik)
- de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
- doen alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
- door de neus boren (=iemand anders iets de mogelijkheid ontnemen)
- een (goede) neus voor iets hebben (=precies aanvoelen hoe iets moet of gaat)
- een bril op de neus krijgen (=moeten gehoorzamen aan iemand)
- een fijne neus hebben (=gemakkelijk iets ontdekken, snel iets aanvoelen)
- een frisse neus halen (=naar buiten gaan)
- een lange neus maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))
- een snee in de neus hebben (=dronken zijn)
- een wassen neus zijn (=niets te betekenen hebben)
- een wild haar in de neus hebben (=onbezonnen en wild zijn)
- elkaar bij de neus nemen (=elkaar voor de gek houden)
- er met zijn neus bij staan (=er vlakbij staan)
- er zijn neus voor optrekken (=zich te goed vinden om iets te doen)
- geen knip voor de neus waard zijn (=zijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben)
- het gaat aan zijn neus voorbij (=hij loopt iets mis)
- het moet zo tussen neus en lippen gebeuren (=het moet bijna ongemerkt gebeuren)
- het neusje van de zalm (=het beste deel)
- iemand bij de neus nemen (=iemand voor de gek houden; iemand bedriegen)
- iemand de pen op de neus zetten (=streng ondervragen of aanpakken)
- iemand een bril op de neus zetten (=iemand terechtwijzen of dwingen gehoorzaam te zijn)
- iemand een pen op de neus zetten (=iemand dreigend vermanen)
- iemand iets aan de neus hangen (=iemand iets vertellen wat die beter niet kan weten)
- iemand iets door de neus boren (=ervoor zorgen dat iemand iets niet krijgt)
- iemand met de neus op de feiten drukken (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren)
- iets tussen neus en lippen zeggen (=zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen)
- je neus in andermans zaken steken (=zich bemoeien met zaken die je niet aangaan)
- je neus voor iets ophalen (=iets minderwaardig achten)
- met de neus in de boeken zitten (=veel lezen)
- met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen)
- niet verder zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
- onder de neus wrijven (=duidelijk zeggen wat er van gevonden wordt)
- op je neus kijken (=teleurgesteld zijn)
- overal zijn neus in steken (=zich overal mee bemoeien)
- wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
- wie zijn neus schendt schendt zijn aangezicht (=wie zijn goede naam verliest, komt in moeilijkheden)
2 betekenissen bevatten `neus`
- een goede gevel versiert het huis. (=gezegd over mensen met een grote neus)
- hij zoekt zijn paard en hij zit er op (=hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet)
50 dialectgezegden bevatten `neus`
- ' nen neus ein gullek ne kapstok (=een zeer lange neus hebben) (Sint-Niklaas)
- 'En pin op de neus geve. (=Tot de orde roepen.) (Zaans)
- a ge bouven zij bellen he (=tegen iemand die in zijn neus aan t' peuteren is) (Ransts)
- a wiltj a uituër'n (=hij wil je de pieren uit de neus halen) (Meers)
- ae geboard 'em va krommenoas (=hij doet of zijn neus bloedt) (Wichels)
- Aje Der een Brwu Ipsmit,Tè Gesnèèn (=hij heeft een grote neus) (Kortrijks)
- as je boven ben stuur mij een brieffie/karetje (=In je neus peuteren) (Rotterdams)
- Attet nen hond wor hochter dich allang gebiëte (=Het ligt voor je neus en je ziet het niet) (Bilzers)
- bau geeste hiën....ja, mën naos noë (=waar ga je heen....ja, mijn neus achterna) (Munsterbilzen - Minsters)
- bet de vis nogal? (=iemand die in zijn neus aan t' peuteren is) (Ransts)
- Bie ‘t feertienste zetten (=Bij de neus nemen, foppen) (Staens)
- blad vo je neuze blad vo je gat (=deur voor je neus toegooien) (Brugs)
- bringste men sloeffe mèt aste boëve bès (=stop toch eens met in je neus te peuteren) (Munsterbilzen - Minsters)
- brinkste mën sloefe mèt aof aste boeëve bès (=zit niet in je neus te peuteren) (Munsterbilzen - Minsters)
- d'r zit iet in zèen'n neus (=hij heeft bepaalde grieven) (Wichels)
- da zitj in mènnen neus (=het verkorven hebben bij mij) (Meers)
- da's moar 'n wazz'n neus (=dat stelt maar weinig voor) (Westerkwartiers)
- da' s ' n wazz' n neus (=dat stelt niets voor) (Westerkwartiers)
- dae bëloeng heet nie op (=dat gaat niet, dat wordt je door de neus geboord) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dae haet naas gater wie ein Beljs paerd (=Iemand met grote neus gaten) (Swalmens)
- Dae is nog ginge sjót pólver wead (=Die persoon is geen knip voor de neus waard) (Mechels (NL))
- daor eetie toch z n neus aan gestote (=dat is hem tegengevallen) (Oudenbosch)
- dat gijt tuss'n neus en lipp'm deur (=dat gaat terloops) (Westerkwartiers)
- dat goank nie an je neuz' angn (=dat zal ik niet aan je neus knopen) (Veurns)
- dat is ' em deur de neus boord (=dat heeft men hem ontstolen) (Westerkwartiers)
- dat is moar 'n wazz'n neus (=dat is maar voor de vorm) (Westerkwartiers)
- dat zall'n we 'm nog es onner de neus wriev'm (=dat zullen we hem nog eens duidelijk vertellen) (Westerkwartiers)
- de hëbs nummër ëlf aon zën naôs hange (=er hangt en snottebel aan je neus) (Munsterbilzen - Minsters)
- de neus afbijten (=afsnauwen) (Sint-Niklaas)
- de pieëte uit zenne neus hale (=fel ondervragen) (Diesters)
- de piere uit zijne neus hoale / de strond uit z'n gat vroage. (=iemand tot het uiterste uitvragen) (Brechts)
- dèn het een neus veur de kop doar ku'j een vèrke met bére (=iemand met een hele grote neus) (Diems)
- Die heb een snee in ze neus (=Hij is dronken) (Rotterdams)
- die is gien knip veur de neus weerd (=dat is een waardeloos persoon) (Westerkwartiers)
- doar trok 'er zien neus niet veur op (=daar schaamde hij zich niet voor) (Westerkwartiers)
- doar trok ze heur neus veur op (=dat was haar niet goed genoeg) (Westerkwartiers)
- doë hange ijspiegëlë aoën zën naoës (=zijn snotbellen zijn bevroren , er hangen ijspegels aan zijn neus) (Munsterbilzen - Minsters)
- doe je neuze weg dak jn aonzichte zie (=je hebt een grote neus) (Kortemarks)
- Doe maor net offie neus bloeit. (=Doe maar net of je van niets weet !) (Utrechts)
- doêg neet of den naas blooit (=doe niet of je neus bloedt) (Neerharens)
- Doewn of oer neus blójt (=doen of je nergens van weet) (Stals)
- e èèt ém lauten ringeluëren (=hij heeft zich laten ringelen hij heeft zich bij de neus laten nemen) (Meers)
- è is op zen kezze gevallen (=hij is op zijn neus gevallen) (Denderleeuws)
- e neuze en voe cokes te klopn (=Een scherpe neus hebben) (Veurns)
- een scheef antwort krijgen; de neus afbijten (=een bits antwoord krijgen) (Sint-Niklaas)
- één wat onner de neus wriev'm (=iemand de waarheid vertellen) (Westerkwartiers)
- effëkës doeër ze gezich vrijve (=gauw de neus wassen) (Munsterbilzen - Minsters)
- ei (zij) vang zèn (deur) pielewuiters (=iemand die in zijn neus peutert) (Sint-Niklaas)
- ei je neuze e stoeatn (=heb jeje neus gestoten) (Zeeuws)
- emes get daoduje (=iemand iets onder de neus wrijven) (Heitsers)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen