vliegen

werkw.
Uitspraak:  ['vlixə(n)]
Afbreekpatroon:  vlie·gen
Vervoegingen:  vloog (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft of is gevlogen (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) met vleugels door de lucht bewegen
Voorbeelden:  `In oktober vliegen de vogels naar het zuiden.`,
`Het vliegtuig vloog laag boven de huizen.`,
`In mei zijn we naar Portugal gevlogen.`
Ik heb nog nooit gevlogen.  (ik heb nog nooit met een vliegtuig gereisd)

2) zich heel snel verplaatsen
Voorbeelden:  `Het begon als een gewone ruzie, maar even later vloog het servies door de kamer.`,
`Toen hij de geur van aangebrande aardappelen rook, vloog hij naar de keuken.`
De tijd vliegt.  (de tijd gaat heel snel <dit zeg je bijvoorbeeld als je merkt dat het tijd is om iets anders te gaan doen>)

Zie ook:  vlieg


Synoniemen
fladderen   ijlen   jachten   jagen   jakkeren   luchtvaart   luchtverkeer   opschieten   per vliegtuig reizen   reppen   scheren   schieten   snellen   spoeden   stuiven   suizen   zich haasten   zich spoeden   

Spreekwoorden en zegswijzen
• ze zien vliegen (=niet goed bij het verstand zijn)
• willen vliegen eer men vleugels heeft (=iets willen doen nog voor men het geleerd heeft)
• waar aas is vliegen kraaien (=als er iets te halen valt staat iedereen vooraan)
• twee vliegen in een klap slaan (=twee problemen gelijktijdig oplossen)
• om vliegen te vangen (=om te luieren (niets te doen))
Toon alle 19 spreekwoorden die vliegen bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je met vliegen een ander begrip versterken?
vliegensvlug; sterven als vliegen; vliegende storm; erop afkomen als vliegen op de stroop; als vliegen op de stroop afkomen; vliegende tering;

9 definities op Encyclo
  • Uit `De lagere vaktalen: Taal der bouwbedrijven` 1914 't vliegen van een muur: het schijnen vooroverhellen van een loodrechten muur.
  • • [inerg] zich door de lucht voortbewegen.
  • met vleugels door de lucht voortbewegen vb: alle vogels vliegen hij ziet ze vliegen [is gek] erin vliegen [beetgenomen worden]
  • Let op: Spelling van 1914 Zie DIPTERA.
  • 1) Zich door de lucht verplaatsen 2) Sjezen 3) Vogeleigenschap 4) Voorbijsnellen 5) Voortbewegen per vliegtuig 6) Stuiven 7) Fladderen 8) Het reizen per vliegtuig 9) Snel voorbij gaan 10) Reizen per vliegtuig 11) Suizen 12) Opschieten 13) Snellen 14) Wijze van reizen 15) Sport 16) Spoeden 17) Manier van reize...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met vliegen:
vliegendvliegende kiepvliegendeurvliegengaasvliegenhengelvliegeniervliegenkastvliegenmeppervliegenpikkervliegenpootvliegenraamvliegenstripvliegensvlug

Deze woorden eindigen op vliegen:
aanvliegendeltavliegenvervliegenwegvliegenvoorbijvliegenvleesvliegenuitvliegenschermvliegenovervliegenopvliegenopenvliegenomvliegenomhoogvliegennachtvliegenmodelvliegenlaagvliegenkunstvliegeninvliegenbinnenvliegenafvliegen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
vliegen (zich in de lucht voortbewegen, zich haasten)

Taaladvies
  1. Staat co- nog duidelijk op zichzelf of gaat het op in het geheel? Zie Co-piloot / copiloot
  2. Wat is juist: eenmotorig of éénmotorig? Zie eenmotorig / éénmotorig
  3. Waar komt met kunst- en vliegwerk vandaan? Zie Met kunst- en vliegwerk


Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van vliegen?
De verleden tijd van vliegen is 'vloog'. Het voltooid deelwoord is 'heeft of is gevlogen'.
Wat betekent vliegen?
'met vleugels door de lucht bewegen' en 'zich heel snel verplaatsen'
Hoe spel je vliegen?
vliegen spel je V L I E G E N
Wat is een ander woord voor vliegen?
Andere woorden voor vliegen zijn fladderen, ijlen, jachten, jagen, jakkeren, luchtvaart, luchtverkeer, opschieten, per vliegtuig reizen, reppen, scheren, schieten, snellen, spoeden, stuiven, suizen, zich haasten en zich spoeden.

Op andere websites
Zoek vliegen in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek vliegen op Google
Zoek vliegen op Woordenlijst.org
Zoek vliegen in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek vliegen op Wikipedia