Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

22 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vliegen`

  1. als de stok stijf staat is de uil gaan vliegen (=zit je eenmaal met een erectie, dan is de wijsheid ver zoeken)
  2. de pan uit vliegen (=erg snel stijgen (inz. gezegd over prijzen))
  3. de vogel over het net laten vliegen (=goede kansen niet aangrijpen)
  4. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  5. elkaar in de haren vliegen (=ruzie maken)
  6. elkaar vliegen afvangen (=op onbeduidende details elkaar beconcurreren dan wel duidelijk willen laten uitkomen dat men zelf gelijk heeft en de ander niet)
  7. er een laten vliegen (=een wind laten)
  8. gebraden duiven vliegen niemand in de mond (=je krijgt niets zomaar (zonder er enige moeite voor te doen))
  9. hier niet zijn om vliegen te vangen (=niet gekomen om de tijd de verdoen)
  10. hij ziet ze vliegen (=niet goed bij het verstand zijn)
  11. hoger willen vliegen dan men kan (=meer willen doen dan men kan)
  12. iemand naar de keel vliegen (=op iemand erg kwaad worden, aanvallen, ermee vechten)
  13. in de lucht laten vliegen (=laten ontploffen)
  14. In de nood eet de duivel vliegen. (=Als je in nood verkeert, stel je je tevreden met dingen die je anders zou weigeren.)
  15. men vangt meer vliegen met honing/stroop dan met azijn (=door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke woorden)
  16. niets afslaan behalve vliegen (=alles aannemen)
  17. om vliegen te vangen (=om te luieren (niets te doen))
  18. twee vliegen in een klap slaan (=twee problemen gelijktijdig oplossen)
  19. Twee vliegen in één klap slaan (=Efficiënt bezig zijn)
  20. voor iemand door het vuur gaan/vliegen (=voor iemand alles overhebben, zich opofferen)
  21. Waar aas is vliegen kraaien (=Als er iets te halen valt staat iedereen vooraan)
  22. willen vliegen eer men vleugels heeft (=iets willen doen nog voor men het geleerd heeft)

Het dialectenwoordenboek kent 41 spreekwoorden met `vliegen`

  1. Gents: zuu rap oof de wind (=vliegensvlug)
  2. Zelzaats: Zu rap of kijkn (=vliegensvlug)
  3. Zottegems: Hij es van den hozze gepoept (=Hij is vliegensvlug)
  4. Waregems: de zallezie insteekn (=het vliegenraam inzetten)
  5. Overpelts: kriet nou toch 't vliegend schieet (=iemand tegenspreken)
  6. Brussels: kraagt vliegend schaat en keut ermkes (=krijg de kleire)
  7. Munsterbilzen - Minsters: de vliegende sjijt höbbe (=dringend weg moeten)
  8. Munsterbilzen - Minsters: protse (=scheet laten vliegen)
  9. Tilburgs: hè naam unne ramscheut èn ge zaagt um nie mir. (=hij nam een vliegende aanloop en je zag hem niet meer.)
  10. Graauws: een vliegende kroai e méér as un zittende (=weer wat gekregen hebben)
  11. Mestreechs: vlege, iech vluig, de/diech vluigs (=vliegen, ik vlieg, jij vliegt)
  12. Leefdaals: 'k kraeg er et vliegend schaet van (=ik kan dat niet verdragen)
  13. Grobbendonks: Doar krijk naa 't (vliegend) schijt van! (=Daar kan ik niet tegen!)
  14. Gents: 'k goa maane kop deure mijn gat schaaten/ ket vliegend schijt (=Ik heb diarree)
  15. Lichtervelds: zne broek scheurt (=hij laat een wind vliegen)
  16. Sint-Niklaas: kè vliegende tandpijn (=ik heb hevige tandpijn)
  17. Sevenums: As de zwelven liêg vleegen guft `t raegen (=Als de zwaluwen laag vliegen krijgen we regen)
  18. Munsterbilzen - Minsters: de vliegende sjijt krijge (='t op zijn heupen krijgen)
  19. Munsterbilzen - Minsters: krijg toch de vliegende sjijt (=loop naar de maan)
  20. Lovendegems: ze zien vliegen (=honger hebben*)
  21. Munsterbilzen - Minsters: haaj reik get aongebrand ! (=wie heeft er ééntje laten vliegen)
  22. Sint-Niklaas: ene loate vliegen (=een wind laten)
  23. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch ze nie alle vaajf (=de duivenmelker zag ze vliegen)
  24. Munsterbilzen - Minsters: daaj kos vieër kotse (=als 't hart in brand staat, vliegen de vonken uit de mond)
  25. Hulsters (NL): adjoemela djoemela meulenèr, meej draaike en al. En ahhe dan nie vliehe wil, dan steekkik oe in oew stal. (=liedje om een meikever aan het vliegen te krijgen.)
  26. Lebbeeks: dievel: D'erop vliegen gelèk as d'n dievel op Giëraut (=Onverschrokken zijn)
  27. Gents: op den kajee vliegen (=een bekeuring krijgen)
  28. Kortrijks: jé gesketen al vliegen (=Hij heeft afgedaan)
  29. Hulshouts: Me zn kli'en en kla'en oep de beton zwiern (=Met zijn hebben en houden buiten vliegen)
  30. Munsterbilzen - Minsters: wae van gevaor hilt, ént gevaor vilt (=rij nooit sneller kan je engelbewaarder kan vliegen)
  31. Oudenbosch: ut stikt daor de moord van de vliege (=het zit daar barstensvol vliegen)
  32. Giesbaargs: op zwart zaat zitten, a zie ze vliegen (=arm zijn)
  33. Epers: De witte biej'n vliek (De witte bijen vliegen) (=Het sneeuwt)
  34. Oudenbosch: un vliegende kraai vangt altij wa (=toevallig iets van je gading tegenkomen)
  35. Merenaars: 'k zie ze vliegen (=ik heb grote honger)
  36. Sint-Niklaas: ze zien vliegen (=heel grote honger hebben)
  37. Zichems: hemme es hemme en kraige is ne kunst en mee liege en bedriege moeitte deur de wijreld vliege (=hebben is hebben en krijgen is een kunst en met liegen en bedriegen moet je door de wereld vliegen)
  38. Lembeeks: Tgoe goo weij weire, de zwolme vleege uug (=het zal goed weer worden, de zwaluwen vliegen hoog)
  39. Brakels (gld): Es zwoaluuwu loag ovur en bovu ut woater vliegu, komt er règun (=Als zwaluwen laag over en boven het water vliegen, komt er regen)
  40. Roeselaars: je peist dat de gebradde kiekens in ziene mond goan vliegen (=hij denkt dat alles vanzelf gaat)
  41. Lokers: ij zo vliegen vangen mee zijn gat moest ij t'op tijd keunen toenijpen (=hij probeert uit alles profijt te halen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen