• zuur opbreken (=ergens mee in moeilijkheden komen (later)) • ziek of ziekenhuis? (=eind aan discussie maken) • wijd en zijd bekend zijn (=overal bekend zijn) • wie honing wil eten moet lijden dat de bijen hem steken (=wie iets wil bereiken moet daar iets voor over hebben) • voor dovemans oren spreken (=spreken tegen personen die niet willen horen) Toon alle 146 spreekwoorden die eken bevatten
2 definities op Encyclo
[Vergeten woorden] (st. iek, heeft geëken) 1) eigen maken, toeëigenen 2) aannemen [~ eigen]
1) Schors afhalen 2) Pellen van eiken 3) Ontschorsen van eiken 4) Eikenhout van schors ontdoen 5) Eikschillen 6) Van de schors ontdoen 7) Eikenhout van de schors ontdoen 8) Eiken schillen 9) Ontschorsen 10) Een eik van schors ontdoen 11) Een eik pellen 12) Eikenhout ontschorsen 13) Eikenhout schillen