Spreekwoorden

Zoek



46 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `trekken`

  1. aan de bel trekken. (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt.)
  2. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  3. aan een touw trekken (=eensgezind optreden)
  4. aan het kortste eind trekken (=in de ongunstigste positie zijn / verliezen)
  5. aan het langste eind trekken (=in de voordeligste positie zijn)
  6. aan je palen trekken (=zonder mededeling inpakken en wegwezen)
  7. aan zijn trekken komen (=krijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt)
  8. alle registers opentrekken (=z'n uiterste best doen)
  9. dat kan Bruin(tje) niet trekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven. (afgeleid van een populaire naam voor trekpaarden))
  10. de handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  11. de lijn trekken (=luieren, niet voort werken)
  12. de melk optrekken. (=je woord terugnemen, je belofte niet helemaal vervullen.)
  13. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  14. de rubicon overtrekken (=de beslissende stap ondernemen)
  15. de slagpen uittrekken (=van zijn macht beroven)
  16. de stoute schoenen aantrekken. (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`).)
  17. de teugel aantrekken (=minder gaan uitgeven , strenger worden)
  18. de wijde wereld ingaan/intrekken (=(onbezorgd) op reis vertrekken)
  19. een gezicht als een oorwurm trekken (=erg ontevreden kijken (omdat bv iets gedaan moet worden))
  20. een kies uittrekken (=veel geld afhandig maken)
  21. een lang gezicht trekken/zetten (=laten merken dat men niet tevreden is)
  22. een leeuwehuid aantrekken (=zich dapper tonen)
  23. eén lijn trekken / Dezelfde lijn trekken (=dezelfde mening hebben)
  24. een lijntje trekken. (=cocaïne snuiven.)
  25. een lot uit de loterij trekken (=precies de juiste persoon of ding gevonden hebben wat er nodig was)
  26. een zware wissel trekken (=erg veel eisen)
  27. ergens de angel uit trekken. (=ervoor zorgen dat iets minder gevaarlijk wordt door het meest gevaarlijke deel onschadelijk te maken; iets minder pijnlijk maken.)
  28. ergens geen peil op kunnen trekken (=niet op iemand af kunnen gaan)
  29. ergens zijn neus voor optrekken (=zich te goed vinden om iets te doen)
  30. geen peil op kunnen trekken. (=ergens niks uit kunnen opmaken. Ergens niet van op aan kunnen.)
  31. geen spier vertrekken (=zonder enige emotie over zich heen laten gaan)
  32. het harnas aantrekken (=ten strijde trekken)
  33. het is trekken aan een dood paard. (=het is een onbegonnen zaak.)
  34. het vel over de oren halen/trekken (=geld afpersen)
  35. iemand een kies trekken (=iemand veel geld afnemen)
  36. leringen wekken maar voorbeelden trekken (=je kan mensen iets willen leren , maar geef vooral het goede voorbeeld)
  37. met de nachtschuit vertrekken (=er erg stilletjes vandoor gaan)
  38. met de noorderzon vertrekken (=onaangekondigd vertrekken en niets meer van zich laten horen)
  39. met de stille trom vertrekken (=er stilletjes vandoor gaan)
  40. met stille trom vertrekken (=vertrekken zonder iemand het te laten weten)
  41. niet aan zijn trekken komen (=niet krijgen wat men wil)
  42. op stel en sprong vertrekken/gaan (=onmiddelijk vertrekken/gaan)
  43. van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren wordt)
  44. zich de haren uit het hoofd trekken (=enorm veel spijt hebben.)
  45. zijn handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  46. zijn trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))

50 betekenissen bevatten `trekken`

  1. de wijde wereld ingaan/intrekken (=(onbezorgd) op reis vertrekken)
  2. de ratten verlaten het zinkende schip. (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  3. in het oog springen/vallen (=de aandacht trekken)
  4. veel bekijks hebben (=de aandacht trekken)
  5. een proefballonnetje oplaten (=een voorstel doen om er achter te komen hoe men er op zal reageren. (Met de bedoeling het terug te trekken bij te veel tegenstand, en door te zetten als anderen ermee instemmen).)
  6. wie plast tegen de kerk, gaat gevaarlijk te werk (=een wandaad met verstrekkende gevolgen)
  7. aan zijn laars lappen (=er zich niets van aantrekken)
  8. geen boodschap aan iets hebben (=er zich niets van aantrekken)
  9. maling hebben aan (=er zich niets van aantrekken)
  10. de schouders ophalen (=er zich niets van aantrekken - er niets over willen weten)
  11. iets langs je (koude) kleren af laten glijden (=ergens niets van aan trekken)
  12. iets over z'n kant laten gaan (=ergens niets van aantrekken)
  13. maling aan iets of iemand hebben (=ergens niets van aantrekken)
  14. het anker lichten (=ergens vertrekken, weggaan en verder reizen)
  15. onder zeil gaan (=gaan rusten of slapen, vertrekken of weggaan)
  16. aan het lijf schieten (=haastig aantrekken (kleding))
  17. ter harte nemen (=het zich aantrekken)
  18. ergens lak aan hebben (=het zich helemaal niet aantrekken)
  19. iets over zijn kant laten gaan (=iets aan zich laten gebeuren, zich van iets niet aantrekken)
  20. ergens een halszaak van maken (=iets heel erg aantrekken en ernstig nemen)
  21. ergens overheen stappen (=iets vergeven, er zich niets van aantrekken)
  22. over iets heen stappen (=iets vergeven, er zich niets van aantrekken)
  23. een vraagteken plaatsen achter (=in twijfel trekken)
  24. een bord voor je kop hebben. (=je van niemand iets aantrekken.)
  25. schijt hebben aan (=lak hebben aan, zich niets aantrekken van)
  26. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
  27. links laten liggen (=niet aantrekken, niet laten meedoen)
  28. met de noorderzon vertrekken (=onaangekondigd vertrekken en niets meer van zich laten horen)
  29. op stel en sprong vertrekken/gaan (=onmiddelijk vertrekken/gaan)
  30. de zeilen hijsen (=opstaan, vertrekken)
  31. in het schot vallen (=precies tijdens het startschot vertrekken)
  32. als een pijl uit de boog (zijn) (=snel vertrekken)
  33. het harnas aantrekken (=ten strijde trekken)
  34. de aftocht blazen. (=vertrekken als de situatie bedreigend of te moeilijk wordt.)
  35. het veld ruimen (=vertrekken om plaats te maken voor een ander)
  36. met stille trom vertrekken (=vertrekken zonder iemand het te laten weten)
  37. de biezen pakken. (=vertrekken, de biezen zijn een dubbele mand van vlechtwerk, gebruikt als koffer)
  38. zijn matten oprollen (=vertrekken, weggaan)
  39. gepakt en gezakt (=vertrekkensklaar (met alle koffers ingepakt))
  40. laten waaien (=verwaarlozen, zich er niets van aantrekken)
  41. ergens over vallen (=zich een probleem aantrekken)
  42. iets aan zijn laars lappen (=zich ergens niets van aantrekken)
  43. in zijn schulp kruipen (=zich in zichzelf terugtrekken, niet verder aandringen)
  44. zich druk maken over (=zich kwaad maken om, zich aantrekken van)
  45. ergens heet noch koud van worden (=zich nergens iets van aantrekken)
  46. god noch gebod vrezen (=zich nergens iets van aantrekken - een misdadig leven leiden)
  47. ijskoud zijn gang gaan (=zich nergens van aantrekken)
  48. een loopje met iemand nemen (=zich weinig van iemand aantrekken (die de leiding heeft))
  49. zonder aanzien des persoons. (=zonder iemand voor te trekken; zonder er rekening mee te houden om wie het gaat.)
  50. zonder (te) blikken of (te) blozen (=zonder zich van iemand iets aan te trekken en zonder te schamen)

Het dialectenwoordenboek kent 79 spreekwoorden met `trekken`

  1. Waregems: stroetje trek'n (=strootje trekken)
  2. Zeeuws: ie lop ter an te zeuln (=er aan trekken)
  3. Genneps: 't Mit mekaor ovverèn ha.lde (=Enen lijn trekken)
  4. Heezers: ten blakke gao (=er op uit trekken)
  5. Olens: ne leileke smoel trekke (=een raar gezicht trekken)
  6. Genneps: Dat get nie allemoal van bommelebuske (=Dat kan bruintje niet trekken)
  7. Sint-Niklaas: karoten trekken (=pijn voorwenden)
  8. Zeeuws: du bliende du kar leten troken (=de blinde de kar laten trekken)
  9. Bilzers: lot mich èns laume on z'ne stoemp (=mag ik eens trekken aan je sigaret)
  10. Ninoofs: iemand nen tand trekken / iemand een tatj'n dasjteren (=iemand beetnemen)
  11. Lovendegems: zijne plan trekken (=zich weten te redden*)
  12. Zottegems: da kan mijn bruinen nie trekken (=dat is te duur)
  13. Merenaars: a tege mijne gillée trekken (=iemand omarmen)
  14. Sint-Niklaas: iemand tegen zènne zjiellé trekken (=iemand omhelzen)
  15. Antwerps: mak â ies tegen mene jillée trekken (=iemand willen omhelzen)
  16. Melseels: karoten trekken (=werk vermijden lanterfanten)
  17. Sint-Niklaas: ze trekken ôn éé zeel (=ze spannen samen)
  18. Lokers: Nen aun aup moedde gieen toten liéren trèkn (=Een oude aap moet men geen muilen leren trekken)
  19. Sint-Niklaas: da ka minnen bruinen nie trekken (=dat is te duur voor mij)
  20. Achterhoeks: De mölle uut 't kaf trekken (=tijd om naar huis tegaan.)
  21. Sint-Katelijne-Waver: Dat kan mijnen bruine niet trekken (=Dat kan ik niet betalen)
  22. Ninoofs: da kan zannen brooënj nie trekken (=Hij heeft geen geld genoeg daarvoor)
  23. Koersels: Ze gat dur de haag stjeken (=Op het moment dat het er toe doet zich er niets meer van aan trekken en de anderen het probleem laten oplossenlaten oplo)
  24. Sint-Niklaas: nen aan oap moete geen toten leren trekken (=ge moet een oudere, meer ervaren man geen raad geven)
  25. Geluws: mensje maken (=aandacht trekken)
  26. Erps: een smoel trekken (=een zuur gezicht trekken)
  27. Veurns: Ze schupp' ofkuschen (=Er vanonder trekken)
  28. Opglabbeeks: de kat de bel oembinne (=aandacht trekken)
  29. Veurns: vele bekieks èn (=sterk de aandacht trekken)
  30. Evergems: An iën zeel sleur'n (=Aan één lijn trekken, samenwerken)
  31. Lebbeeks: krouijt: Zij' krouijt trekken (=Zich kunnen behelpen, zijn plan trekken)
  32. Moes: een pittig vrouwtje (=een biestje van trekken)
  33. Munsterbilzen - Minsters: zen velies pakke (=er van onder trekken)
  34. Munsterbilzen - Minsters: zen lip lotte hange (=een pruilmond trekken)
  35. Heezers: Kiek is wan bakkes ie trekt (=Een raar gezicht trekken)
  36. Dilbeeks: zan plaan trekke (=zich uit de slag trekken)
  37. Munsterbilzen - Minsters: zene streng trèkke (=zijn plan trekken)
  38. Bilzers: z'ne plang trèkke (=zijn streng trekken)
  39. Munsterbilzen - Minsters: on ze gerief koeëme (=zijn trekken komen)
  40. Sint-Niklaas: een oogske trekken; pinken (=knipogen)
  41. Munsterbilzen - Minsters: e gezich trèkke waaj ne stront (=een vertrokken gezicht trekken)
  42. Waalwijks: ''kek mar uit mee oew gek bakkes, dolluk sloi ut klokske van Rome en dan blijvet zo ston'' (=Bekken trekken)
  43. Munsterbilzen - Minsters: ich kan men eege erte wol doppe (=ik kan mijn plan wel trekken)
  44. Roermonds: Haaj 'em maar neet in ! (=Je hoeft je buik niet in te trekken)
  45. Munsterbilzen - Minsters: iemes zene kop tëssen twei aure zètte (=iemand met zijn oren trekken)
  46. Sint-Niklaas: ei trekt goe zènne streng (=hij kan goed zijn plan trekken)
  47. Munsterbilzen - Minsters: geld zik geld (=rijken trekken altijd op met andere rijken)
  48. Munsterbilzen - Minsters: zen snië dër de pan sloore (=zijn boterham dik door het pannevet trekken)
  49. Graauws: aon een dood pjért trekken (=het haalt niets uit)
  50. Arendonks: iemand op tsjöpkes trekken (=iemand foppen)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.