Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


24 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `waard`

  1. buiten de waard rekenen (=niet gerekend hebben op hoe anderen er werkelijk over denken)
  2. dat is nog geen haaienvin waard (=waardeloos)
  3. de eerste klap is een daalder waard (=een goed begin is het halve werk)
  4. de ene dienst is de andere waard. (=wanneer iemand helpt, doet men graag iets terug)
  5. de pen is machtiger dan het zwaard (=woorden kunnen meer teweeg brengen dan wapens)
  6. een goed hart is goud waard. (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  7. een goede daad is goud waard. (=iemand helpen is goed.)
  8. een woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  9. eigen haard is goud waard. (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
  10. geen knip voor de neus waard zijn (=zijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben)
  11. geen rooie cent waard (=waardeloos)
  12. goede raad is goud waard. (=met goede aanwijzingen kan je heel veel doen.)
  13. het sop is de kool niet waard. (=een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven)
  14. het zout in de pap niet waard zijn. (=niets presteren.)
  15. het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de strijd aan (te) binden)
  16. het zwaard van Damocles (=iets wat snel of ieder moment kan gebeuren)
  17. iets beneden zijn waardigheid achten (=iets niet willen doen omdat men vindt dat men een betere taak waard is)
  18. Nog geen koude aardappel waard zijn (=Weinig waard zijn)
  19. Parijs is wel een mis waard. (=om een voordeel te behalen bij tegenstanders aansluiten)
  20. van december tot maart is de schol de pan niet waard (=platvis moet je in de zomer eten)
  21. van nul en generlei waarde (=waardeloos)
  22. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft. (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  23. zijn kop is zwaarder dan zijn benen (=hij is dronken (of erg moe))
  24. zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten (=men ziet de anderen zoals men zichzelf ziet)

66 betekenissen bevatten `waard`

  1. in zijn holle kies kunnen stoppen (=(van eten) nauwelijks de moeite waard zijn)
  2. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  3. in een goed blaadje staan (=bijzonder gewaardeerd worden)
  4. blij met een dode mus (=blij met iets waardeloos)
  5. zo gaan er dertien in een dozijn (=dat heeft weinig waarde)
  6. zo gaan er twaalf in het dozijn (=dat heeft weinig waarde)
  7. daar is geen oogje vet meer op (=dat is niet veel meer waard)
  8. dat is een aalshuid (=dat is van weinig waarde)
  9. dat is naatje/pet. (=dat is waardeloos.)
  10. het gouden kalf aanbidden (=de hoogste waarde hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover rijken)
  11. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  12. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  13. een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
  14. conditio sine qua non (=een onvermijdelijke voorwaarde)
  15. een profeet die brood eet (=een waardeloos profeet)
  16. een baard in de keel hebben/krijgen (=een zwaardere (mannen)stem krijgen)
  17. onze Lieve Heer heeft rare/vreemde kostgangers. (=er bestaan nu eenmaal merkwaardige mensen.)
  18. er is onkruid onder de tarwe (=er zijn minderwaardige goederen (of personen) tussen de betere)
  19. ergens oog voor hebben (=ergens de waarde van inzien of aandacht voor hebben)
  20. iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden.)
  21. parels/paarlen voor de zwijnen werpen (=het goede verspillen aan hen die het niet verdienen/waarderen)
  22. spreken is zilver, zwijgen is goud. (=het is goed om ergens niet over te praten. / Het is heel waardevol om iets geheim te kunnen houden. / Men heeft niet altijd de behoefte, te luisteren naar wat je zegt. / Een gefluisterd woord kan men mijlen ver horen.)
  23. eigen haard is goud waard. (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
  24. er is reuk noch smaak aan (=het is weinig waard, het is niet interessant)
  25. 't Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt. (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest.)
  26. de vis is de boet niet weerd (=het sop is de kool niet waard)
  27. het kaf van het koren scheiden (=het waardevolle van het waardeloze scheiden)
  28. hij deed mee voor Piet Snot. (=hij deed mee zonder toegevoegde waarde, en zonder erkenning.)
  29. profeet die brood eet (=iemand die waardeloze voorspellingen doet)
  30. iemand op het verkeerde been zetten. (=iemand ergens een verkeerde indruk van geven, waardoor hij of zij iets gaat denken wat helemaal niet klopt.)
  31. iemand wel achter het behang kunnen plakken. (=iemand heel vervelend vinden, waardoor je het liefst even helemaal niets meer met hem of haar te maken zou willen hebben.)
  32. iemand iets aansmeren (=iemand iets (weinig waardevols) verkopen)
  33. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  34. iemand met de nek aankijken (=iemand niet als volwaardig beschouwen)
  35. een voetveeg zijn. (=iemand zijn die voor minderwaardige klusjes gebruikt wordt.)
  36. een dood kind met een lam handje (=iets dat totaal waardeloos is)
  37. olie in het vuur gooien. (=iets doen waardoor de ruzie opnieuw begint of oplaait)
  38. rozen voor de varkens/zwijnen strooien (=iets goed doen voor mensen die dat niet waarderen)
  39. van zijn mast een schoenpin maken (=iets goeds bederven om iets van weinig waarde te bekomen)
  40. zijn neus voor iets ophalen (=iets minderwaardig achten)
  41. iets beneden zijn waardigheid achten (=iets niet willen doen omdat men vindt dat men een betere taak waard is)
  42. wat in het vat zit, verzuurt niet. (=iets wat goed is en goed bewaard wordt, verliest zijn waarde niet / wat beloofd is zal ook worden ingelost)
  43. met een metworst naar een zij spek gooien (=iets weinig waardevols opofferen om iets waardevols terug te krijgen)
  44. in het niet zinken (=in vergelijking met iets anders nog weinig waarde hebben)
  45. van Lillo komen. (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te waarde in 1579.)
  46. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. (=je moet waardering hebben voor het geringe.)
  47. van koper blijf je proper en van ijzer word je niks wijzer. (=koper is veel waard, ijzer niet.)
  48. zich blij maken met een dode mus (=met een kleinigheid (een waardeloos iets)blij zijn)
  49. je hebt luxe paarden en werkpaarden. (=niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander.)
  50. niets om het lijf hebben (=niets betekenen, geen waarde hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 94 spreekwoorden met `waard`

  1. Venloos: Det is mich veur vièf äöftjes (=waardeloze rommel)
  2. Sevenums: Wat dun boôr nit kent vritte nit (=wat iemand niet kent waardeert hij niet)
  3. Ninoofs: woeëbeumenaut (=waardeloos hout)
  4. Overpelts: iemand van késkeschiet (=iemand die waardeloos is)
  5. Bilzers: gene stamp onder zen kloete wiëd zin (=die is waardeloos)
  6. Wommersoms: héj' es gin vèèf frang we-jat (=hij is een waardeloos persoon)
  7. Horster: en ding ván lek-me-vesje (=een waardeloos ding)
  8. Oudenbosch: tis lauwloen mee de klep dicht (=het is waardeloos)
  9. Antwerps: êi is te stoem oem lege zakke recht te zette (=hij is waardeloos)
  10. Westfries: 'T doodskoppe niet weerd (=waardeloos persoon)
  11. Amsterdams: Aggenebbish, Aggenebbisj, Aggenebbis (=waardeloos, Slechte kwaliteit)
  12. Kerkraads: huije ze dich mar in eng hek jesprietst dan woasjte nog ee schun pisputje woeede (=waardeloos iemand)
  13. Gents: gien sjieke toebak wird (geen tabakspruim waard ) (=niets waard)
  14. Munsterbilzen - Minsters: get autte sjikkebak (=iets van weinig waarde)
  15. Opglabbeeks: koad zègge waat det gekost hèt (=onschatbare waarde)
  16. Budels: iemud loaten geweren (=iemand in zijn waarde laten)
  17. Ninoofs: 't es iet ooëtj de sjikkenbak (=het is iets van weinig waarde)
  18. Munsterbilzen - Minsters: tés n weelde aste mét weineg kons laeve (=rijkdom kan je niet waarderen als je nooit armoe hebt gekend)
  19. Walshoutems: te mûtjewêêt (=De moeite waard)
  20. Oudenbosch: das wel un mis weert (=dat is de zonde waard)
  21. Mestreechs: dat is gein piep stöb weerd (=dat is niets waard)
  22. West-vlaams: gin roste klute weird zien (=niets waard zijn)
  23. Opglabbeeks: neet alle huit is sjrienwurkershuit (=niet alles is evenveel waard)
  24. Vlijtingens: gèe knepke wjad zie (=geen duit waard zijn)
  25. Balens: 't is niks va petik (='t is niets waard)
  26. Bilzers: dat ès geene frang wiëd (=dat is geen cent waard)
  27. Horpmaal: das den hoond zene stat (=dat is niets waard)
  28. Kerkdriels: ut is kasverkreukult (=dat is niks meer waard)
  29. Zeeuws: d as goed vet (=dat is niks waard)
  30. Ninoofs: iet van 't alverdrau donker (=het is niet veel waard)
  31. Bachten de kupes: tis gin flute wèrd (=het is niets waard)
  32. Brugs: 't is gin klute wèèrd (=het is niets waard)
  33. Lochristis: é es gieen fluide weerd (=hij is niet veel waard)
  34. Merenaars: est de moeijtje wieërd (=is het de moeite waard)
  35. tervurens: das giene krot (=Dat is wel iets waard)
  36. West-vlaams: 't is gin kloatn weird (='t is niets waard)
  37. turnhouts: das iet van keskeschiet (=Dat is niets waard)
  38. Mestreechs: gein piep stöb weerd (=dit is niets waard)
  39. Rous (Sint-Genesius-Rode): gin paap zèk wèt (=niks waard zijn)
  40. Lichtervelds: jis gièène schip teegn ze gat wêird (=hij is niets waard)
  41. Tilburgs: ge zèè-g-ut wèrd (=je bent het waard)
  42. Munsterbilzen - Minsters: da hèt nie vieël ummet lijf (=dat is bijna zonder waarde)
  43. Munsterbilzen - Minsters: woste nie kins, konste nie waardiëre (=wie nooit tijd heeft, kan er ook niets mee aanvangen)
  44. Klemskerks: te kwiste goan: verloren gaan, gezegd van waardevolle zaken. (=te kwiste gaan)
  45. Bilzers: kooptech doë mér get kliskes vër (=dat is niets waard)
  46. Barnevelds: 't Is zeik op de greep (=Het is niets waard)
  47. Veurns: gin roste klute wèèrd zien (=niets waard zijn)
  48. Veurns: Zwieg'n ku nie verbeeterd zien (=Zwijgen is goud waard)
  49. Bilzers: nie gesjoëte és altijd mis (='t is altijd het proberen waard)
  50. Lokers: tis'n scheet in een flesse (=Het is verwaarloosbaar, de moeite niet waard)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen