Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tong`

  1. alsof er een engeltje over je tong piest (=iets lekker vinden)
  2. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  3. een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen uitleggen)
  4. een losse tong hebben (=teveel babbelen)
  5. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met woorden)
  6. goed van de tongriem gesneden (=gezegd van een vlotte prater)
  7. het achterste van je tong (niet) laten zien. (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen.)
  8. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  9. het hart op de tong hebben (=meteen vertellen wat je bezig houdt.)
  10. op de tong liggen (=zeggensklaar zijn)
  11. over de tong gaan. (=het onderwerp van gesprek zijn.)
  12. rad/rap van tong zijn (=snel praten / welbespraakt zijn)

Eén betekenis bevat `tong`

  1. een lange neus maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))

Het dialectenwoordenboek kent 79 spreekwoorden met `tong`

  1. Munsterbilzen - Minsters: dêr et dêrp gedraoge wiene (=over de tongen gaan)
  2. Fries: ik sil dy op e bek pakke (=ik zal je tongzoenen)
  3. Munsterbilzen - Minsters: kalle waajnen a(d)vekoët (=goed van de tongriem gesneden)
  4. Sint-Niklaas: tongdertags, den dondergdag (=op donderdag)
  5. Rijssens: ne tonge as lear (=dorst)
  6. Deinzes: blekk'n (=tong uitsteken)
  7. Westerkwartiers: zien tong slagt dubbelt (=hij praat met dubbele tong)
  8. Lokers: ij zoau betere op zijn tonge bijten, zijn tonge tien kiëren omdroan (=iemand die beter niets zegt)
  9. Gents: en tonge van lintsjes en (=onophoudelijk babbelen)
  10. Waregems: 'n besleeg'n touwe (=een beslagen tong)
  11. Fries: Op tongersdei binne der twa froulju (=er zijn op donderdag 2 meiden)
  12. Sint-Niklaas: tongs (=dat van ons)
  13. Gents: nen sneppenbek (=een zeer scherpe tong)
  14. Zeeuws: ie lit ut achterste van zn tonge nie zien (=zwijgen)
  15. Lovendegems: een stijte bieste (=iemand met een stoute tong*)
  16. Gents: een tonge van lijntses, goe keune klappe (=goed kunnen uitleggen, babbelen)
  17. Bilzers: dae z'ne vaom hoêf nie gesniën (=die is rad van tong)
  18. West-Vlaams: jeet een tonge van lientjes (=hij kan praten als geeneen)
  19. Wetters: Zes op heur tonge nie gevallen (=Ze kan het goed uitleggen)
  20. Klemskerks: e muule van lintjes 'èn: goed van de tongriem gesneden zijn, de hele wereld kunnen ompraten (=een muil van lintjes hebben)
  21. Bredaas: 'Ou dieje lerp us binne (=Steek je tong niet uit)
  22. Ursels: es ui tonge noar de smesse toch (=wanneer een kind niet wil of durft spreken)
  23. Westerkwartiers: zij mokt van heur haart gien moordkuul (=zij draagt haar hart op de tong)
  24. Westerkwartiers: die het 'n bek as 'n biel (=die heeft een tong als een scheermes)
  25. Lebbeeks: vall'n: Op a plat vall'n (=Niet op je mond / tong gevallen zijn)
  26. Tongers: mètte voettram (=te voet)
  27. Sint-Niklaas: op zèn tong getrapt ein (=buiten adem zijn)
  28. Oudenbosch: eddoe tong ingeslikt ? (=durf je niets te zeggen ?)
  29. Texels: Se is nagol sééggerig (=Ze heeft het hart op de tong)
  30. Mestreechs: un tong höbbe wie unne lere lap (=erge dorst hebben)
  31. Nieuwerkerks: erg van tong zen (=roddel over iemand vertellen)
  32. Westerkwartiers: hij het 'n fluweel'n tong (=hij is een flikflooier)
  33. Sint-Niklaas: ei eéd e voddukkun ôn zèn tong (=hij lispelt)
  34. Westerkwartiers: hij haar de tong op 't daarde knoopsgat (=hij was doodmoe)
  35. Hulsters (NL): zain tong ingeslikt èn (=niets meer zeggen, zwijgen)
  36. Lebbeeks: engelken: Pessies en engelken dad op mijn tong pist (=Wat een lekker drankje)
  37. Gents: ij ee 't lapken, ij ee 'n tonge van lintjes, ij ee de muile (=iemand die het goed kan uitleggen)
  38. Tongers: ne smoek maoke (=de zak toebinden)
  39. Tongers: Bo zie (=Waar ben je)
  40. Tongers: waag oere toer oaf (=wacht uw beurt af)
  41. Westerkwartiers: die dragt 't haart op 'e tong (=dat is een flapuit)
  42. Oudenbosch: das net un engeltje da op oew tong piest (=dat smaakt lekker)
  43. Tongers: Battel hèlpe (=de luierik uithangen)
  44. Tongers: zen nauwsjiereghèts gon bestoje (=het voorval gaan bekijken)
  45. Tongers: hè vuul van ze kleutche (=hij viel bewusteloos)
  46. Tongers: ich heub enne kaa (=ik heb een valling)
  47. Tongers: zich motteg viele (=het benauwd hebben)
  48. Tongers: das ès èn bangsjiet (=dat is een bangerik)
  49. Munsterbilzen - Minsters: kepot ès nog te maoke, mèr daud nie (=men kan maar beter over zijn voeten struikelen dan over zijn tong)
  50. Oudenbosch: bendoe tong vergete / verlore ? (=durf je niets te zeggen ?)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen