Spreekwoorden

Zoek


12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tong`

  1. alsof er een engeltje over je tong piest (=iets lekker vinden)
  2. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  3. een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen uitleggen)
  4. een losse tong hebben (=teveel babbelen)
  5. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met woorden)
  6. goed van de tongriem gesneden (=gezegd van een vlotte prater)
  7. het achterste van je tong (niet) laten zien. (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen.)
  8. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  9. het hart op de tong hebben (=meteen vertellen wat je bezig houdt.)
  10. op de tong liggen (=zeggensklaar zijn)
  11. over de tong gaan. (=het onderwerp van gesprek zijn.)
  12. rad/rap van tong zijn (=snel praten / welbespraakt zijn)

Eén betekenis bevat `tong`

  1. een lange neus maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))

Het dialectenwoordenboek kent 55 spreekwoorden met `tong`

  1. Munsterbilzen - Minsters: dêr et dêrp gedraoge wiene (=over de tongen gaan)
  2. Fries: ik sil dy op e bek pakke (=ik zal je tongzoenen)
  3. Munsterbilzen - Minsters: kalle waajnen a(d)vekoët (=goed van de tongriem gesneden)
  4. Sint-Niklaas: tongdertags, den dondergdag (=op donderdag)
  5. Deinzes: blekk'n (=tong uitsteken)
  6. Westerkwartiers: zien tong slagt dubbelt (=hij praat met dubbele tong)
  7. Lokers: ij zoau betere op zijn tonge bijten, zijn tonge tien kiëren omdroan (=iemand die beter niets zegt)
  8. Gents: en tonge van lintsjes en (=onophoudelijk babbelen)
  9. Waregems: 'n besleeg'n touwe (=een beslagen tong)
  10. Sint-Niklaas: tongs (=dat van ons)
  11. Gents: nen sneppenbek (=een zeer scherpe tong)
  12. Gents: een tonge van lijntses, goe keune klappe (=goed kunnen uitleggen, babbelen)
  13. Bilzers: dae z'ne vaom hoêf nie gesniën (=die is rad van tong)
  14. Bredaas: 'Ou dieje lerp us binne (=Steek je tong niet uit)
  15. Ursels: es ui tonge noar de smesse toch (=wanneer een kind niet wil of durft spreken)
  16. Westerkwartiers: zij mokt van heur haart gien moordkuul (=zij draagt haar hart op de tong)
  17. Tongers: mètte voettram (=te voet)
  18. Sint-Niklaas: op zèn tong getrapt ein (=buiten adem zijn)
  19. Oudenbosch: eddoe tong ingeslikt ? (=durf je niets te zeggen ?)
  20. Texels: Se is nagol sééggerig (=Ze heeft het hart op de tong)
  21. Westerkwartiers: hij het 'n fluweel'n tong (=hij is een flikflooier)
  22. Sint-Niklaas: ei eéd e voddukkun ôn zèn tong (=hij lispelt)
  23. Westerkwartiers: hij haar de tong op 't daarde knoopsgat (=hij was doodmoe)
  24. Hulsters (NL): zain tong ingeslikt èn (=niets meer zeggen, zwijgen)
  25. Lebbeeks: engelken: Pessies en engelken dad op mijn tong pist (=Wat een lekker drankje)
  26. Gents: ij ee 't lapken, ij ee 'n tonge van lintjes, ij ee de muile (=iemand die het goed kan uitleggen)
  27. Tongers: ne smoek maoke (=de zak toebinden)
  28. Tongers: Bo zie (=Waar ben je)
  29. Tongers: waag oere toer oaf (=wacht uw beurt af)
  30. Westerkwartiers: die dragt 't haart op 'e tong (=dat is een flapuit)
  31. Oudenbosch: das net un engeltje da op oew tong piest (=dat smaakt lekker)
  32. Tongers: Hè ès èn bansjiet (=Hij is een bangerik)
  33. Tongers: hè koom mèt de chuntram (=hij kwam tevoet)
  34. Tongers: das mich ne galjaar (=dat is mij der ene)
  35. Tongers: dai heure boak plèk oan heure reuch (=die is zeer mager)
  36. Tongers: waaj zietet aut ?----waaj geetet (termèt) (=hoe is het (ermee) ?)
  37. Tongers: da's ne shoaphoas (=dat is een bangerik)
  38. Tongers: dat keump èn de sjakoche (=dat komt in orde)
  39. Tongers: ter mèt zene bebber bijzitte (=nieuwsgierig zijn)
  40. Tongers: op de poef koape ! (=Op afbetaling kopen)
  41. Tongers: mok mèr gein kèskenoate (=maak maar geen herrie)
  42. Tongers: op nen aandre zen maol zaupe (=drinken op kosten van anderen)
  43. Tongers: drèed dat pleutje nouw mèr eum. (=vertel nu eens wat anders)
  44. Sint-Niklaas: pompaf zin; kèn op min tong getrapt; 'k ben de leuter af; ze kunne me vangen onder een klak (=bekaf zijn)
  45. Tongers: luet dè mèr loape ! (=die maakt zijn toekomst wel !)
  46. Tongers: pak oer baggenote èn bolt èt oaf (=Pak uw boeltje bijeen envertrek)
  47. Tongers: hot oer möle tauw veur dè (=ge moet hem niet geloven)
  48. Tongers: hè stoent do wai ne kraaitheilige (=hij stond daar onbeweeglijk)
  49. Tongers: bekik daai éns, seffës vilt zë atërjeuver van kwoalëchéts (=over een trotse vrouw)
  50. Westerkwartiers: dat jonje ging over de tong (=er werd over dat jongetje gepraat)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.