Spreekwoorden

Zoek



12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tong`

  1. alsof er een engeltje over je tong piest (=iets lekker vinden)
  2. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  3. een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen uitleggen)
  4. een losse tong hebben (=teveel babbelen)
  5. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met woorden)
  6. goed van de tongriem gesneden (=gezegd van een vlotte prater)
  7. het achterste van je tong (niet) laten zien. (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen.)
  8. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  9. het hart op de tong hebben (=meteen vertellen wat je bezig houdt.)
  10. op de tong liggen (=zeggensklaar zijn)
  11. over de tong gaan. (=het onderwerp van gesprek zijn.)
  12. rad/rap van tong zijn (=snel praten / welbespraakt zijn)

Eén betekenis bevat `tong`

  1. een lange neus maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))

Het dialectenwoordenboek kent 97 spreekwoorden met `tong`

  1. eindhovens: Goa mer vast liggu bloeie,ik ben tongers (=Ik kom uit tongelre)
  2. Munsterbilzen - Minsters: dêr et dêrp gedraoge wiene (=over de tongen gaan)
  3. Munsterbilzen - Minsters: kalle waajnen a(d)vekoët (=goed van de tongriem gesneden)
  4. Drents: Op de bek evleugen. (=Iemand op de mond zoenen. tongzoenen.)
  5. Fries: ik sil dy op e bek pakke (=ik zal je tongzoenen)
  6. Sint-Niklaas: tongdertags, den dondergdag (=op donderdag)
  7. Rijssens: ne tonge as lear (=dorst)
  8. Gents: en tonge van lintsjes en (=onophoudelijk babbelen)
  9. Deinzes: blekk'n (=tong uitsteken)
  10. Westerkwartiers: zien tong slagt dubbelt (=hij praat met dubbele tong)
  11. Lokers: ij zoau betere op zijn tonge bijten, zijn tonge tien kiëren omdroan (=iemand die beter niets zegt)
  12. Waregems: 'n besleeg'n touwe (=een beslagen tong)
  13. Gents: een tonge van lijntses, goe keune klappe (=goed kunnen uitleggen, babbelen)
  14. Gents: nen sneppenbek (=een zeer scherpe tong)
  15. Wetters: z'n tonge angt op z'n erte (=afgebeuld iemand,(vb loper ))
  16. Fries: Op tongersdei binne der twa froulju (=er zijn op donderdag 2 meiden)
  17. Sint-Niklaas: tongs (=dat van ons)
  18. Zeeuws: ie lit ut achterste van zn tonge nie zien (=zwijgen)
  19. Lovendegems: een stijte bieste (=iemand met een stoute tong*)
  20. Bilzers: dae z'ne vaom hoêf nie gesniën (=die is rad van tong)
  21. West-Vlaams: jeet een tonge van lientjes (=hij kan praten als geeneen)
  22. Wetters: Zes op heur tonge nie gevallen (=Ze kan het goed uitleggen)
  23. Munsterbilzen - Minsters: én zen kaote lotte zien (=het achterste van zijn tong laten zien)
  24. Westerkwartiers: zij mokt van heur haart gien moordkuul (=zij draagt haar hart op de tong)
  25. Klemskerks: e muule van lintjes 'èn: goed van de tongriem gesneden zijn, de hele wereld kunnen ompraten (=een muil van lintjes hebben)
  26. Bredaas: 'Ou dieje lerp us binne (=Steek je tong niet uit)
  27. Sint-Niklaas: op zèn tong getrapt ein (=buiten adem zijn)
  28. Westerkwartiers: die dragt 't haart op 'e tong (=dat is een flapuit)
  29. Ursels: es ui tonge noar de smesse toch (=wanneer een kind niet wil of durft spreken)
  30. Leuvens: tes just een ingelke dat up men tung pist (=het is juist een engeltje dat op mijn tong pist)
  31. Munsterbilzen - Minsters: daaj er maul stink van de lieëges (=zij die hun hart op de tong dragen, moeten toch een vieze smaak hebben)
  32. Westerkwartiers: die het 'n bek as 'n biel (=die heeft een tong als een scheermes)
  33. Oudenbosch: eddoe tong ingeslikt ? (=durf je niets te zeggen ?)
  34. Texels: Se is nagol sééggerig (=Ze heeft het hart op de tong)
  35. Oudenbosch: das net un engeltje da op oew tong piest (=dat smaakt lekker)
  36. Mestreechs: un tong höbbe wie unne lere lap (=erge dorst hebben)
  37. Lebbeeks: vall'n: Op a plat vall'n (=Niet op je mond / tong gevallen zijn)
  38. Nieuwerkerks: erg van tong zen (=roddel over iemand vertellen)
  39. Westerkwartiers: hij het 'n fluweel'n tong (=hij is een flikflooier)
  40. Westerkwartiers: hij haar de tong op 't daarde knoopsgat (=hij was doodmoe)
  41. Sint-Niklaas: ei eéd e voddukkun ôn zèn tong (=hij lispelt)
  42. Hulsters (NL): zain tong ingeslikt èn (=niets meer zeggen, zwijgen)
  43. Lebbeeks: engelken: Pessies en engelken dad op mijn tong pist (=Wat een lekker drankje)
  44. Tongers: das mich ne kadée (=dat is me iemand)
  45. Tongers: dat wois nie veur te laachte (=dat was zeer moeilijk)
  46. Tongers: zen naos gon tertësse ( trèn) staeke (=zich gaan bemoeien)
  47. Gents: ij ee 't lapken, ij ee 'n tonge van lintjes, ij ee de muile (=iemand die het goed kan uitleggen)
  48. Tongers: ne smoek maoke (=de zak toebinden)
  49. Tongers: waag oere toer oaf (=wacht uw beurt af)
  50. Tongers: Bo zie (=Waar ben je)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.