vieren

werkw.
Uitspraak:  ['virə(n)]
Vervoegingen:  vierde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gevierd (volt.deelw.)

1) een feest geven vanwege
Voorbeelden:  `We vieren vandaag zijn honderdste geboortedag.`,
`Pasen vier ik nooit.`
vakantie vieren  (vakantie hebben en ervan genieten)

2) (een touw) minder laten spannen
de teugels (laten) vieren  (minder streng worden)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
celebreren feesten feestvieren heiligen herdenken houden laten vieren loslaten lossen schieten slaken tappen uitlaten weglaten

Spreekwoorden en zegswijzen
• hoogtij vieren (=overvloedig aanwezig zijn)
• hij zou een oortje in vieren bijten. (=hij is erg gierig.)
• het touw wat vieren (=het iets minder streng aanpakken)
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
Met vieren / met ons gevieren / met vier / met z'n vieren / met ons vieren: Welke combinaties zijn correct: We waren met vier, We waren met vieren, We waren met ons gevieren, We waren met z'n vieren, We waren met ons vieren?

10 definities op Encyclo
  1. Het celebreren, eren of herdenken met ceremonies, festiviteiten of openbare loftuitingen. Categorie: Functionele activiteiten > sociale functies.
  2. Let op: Spelling van 1858 lange dunne houten banden, welke bij schepen tusschen deelen worden ingelegd, om de tusschenruimten aan te vullen
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] ow. (ik vierde, heb gevierd), in rust -, feestelijk doorbrengen (eenen dag); niet arbeiden, rusten; toegeven, on...
  4. Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 weversmesdag vieren: op St. Ambrosius feestdag naar de mis gaan en zich vermaken: schieten, kaarten, nen borrel p...
  5. er op feestelijke wijze aandacht aan besteden vb: we vieren feest vandaag
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met vieren:
vierendeelvierendeeldevierendeeldenvierendeeltvierendelenvierendertigvierentwintigvierenveertig

Deze woorden eindigen op vieren:
bijrivierenbontbekplevierenbrevierendeviërenfeestvierengoudplevierenklavervierenklavierenabbreviërenplevierenrevierenrivierenzegevierenzijrivieren

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. vieren (een touw laten uitlopen)
  2. vieren (feesten)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `vieren` kennen.