uitwijden

werkw.
Verbuigingen:  wijdde uit
Verbuigingen:  uitgewijd

1) wijder maken
Voorbeeld:  `Je hebt die trui daarmee wel erg uitgewijd.`

2) wijder worden
Voorbeeld:  `De weg was geleidelijk uitgewijd, nadat we de nauwe pas verlaten hadden.`


Bron: WikiWoordenboek.

Taaladvies
Uitwijden / uitweiden: Is het uitwijden of uitweiden, in de betekenis 'uitvoerig spreken'?