I tuk

bijv.naamw.

1) ''tuk zijn op iets'' graag hebben
Voorbeeld:  `Hij was niet zo tuk op dat soort dingen.`

2) ''iemand tuk hebben'' iemand een grappige streek geleverd hebben
Voorbeeld:  `De leerlingen hadden me goed tuk vandaag.`


II de tuk

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  tukken
Verbuigingen:  tukje

1) een korte periode van slaap
Voorbeeld:  `Ik zou wel even een tukje willen doen.`

2) ''Twente'': broekzak


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
begerig belust dutje

Spreekwoorden en zegswijzen
tuk op iets zijn (=iets erg graag lusten of dol op zijn)
• er is tuk aan de hengel (=hij heeft beet (krijgt zijn zin))
• een tukje doen (=een kort middagslaapje)
Naar de spreekwoorden

8 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling van 1858 geslepen, afgerigt: tuk op roof
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-ken), ras, soort, geslacht, aard. ~, bijvoegelijk naamwoord (-ker, -st), geslepen, afgerigt; heet, graag; - op buit, begeerig na...
  3. •"~ zijn op" iets graag hebben. •"iemand ~ hebben" iemand een grappige streek geleverd hebben •tweede betekenisomschrijving
  4. 1) Beet 2) Begerig 3) Begerig naar 4) Belust 5) Dier 6) Dutje 7) Fel 8) Flink 9) Graag 10) Gretig 11) Handige streek 12) Hap 13) Happig 14) Hazenslaap 15) Heet, graag 16)...
  5. motorfiets - Tuk is een historisch Duits motorfietsmerk dat in 1921 en 1922 397 cc V-twins met een kleine cilinderhoek maakte. Daardoor was het frame ook kort en hoog....
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met tuk:
tukken

Deze woorden eindigen op tuk:
abortusvraagstukaltaarstukbewijsstukbiefstukbloemstukbreek stukbrokstukga stukgooi stukhoofdstukhulpstukKamerstukklapstukkledingstukkopstukleerstukloop stukmaak stukmeubelstukmondstuk

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. tuk (begerig)
  2. tuk (stoot; streek; dutje; beet)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 97% van de Nederlanders en 90% van de Vlamingen het woord `tuk`.