de biefstuk

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [ˈbifstʏk]
Verbuigingen:  biefstuk|ken (meerv.)

mals stuk vlees van de bil van een rund of paard
Voorbeeld:  `gehakte biefstuk`
biefstuk tartaar  (fijngehakte biefstuk met ui, kruiden en specerijen)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bief steak

Intensiveringen
Hoe kun je met biefstuk een ander begrip versterken?
rauw als (een) biefstuk;

8 definities op Encyclo
  1. Rundvlees van de achtervoet in biefstukken gesneden. Het vlees is geheel mager, heeft een fijne tot zeer fijne vleesdraad en bevat weinig bindweefsel. Verschillende produ...
  2. Let op: Spelling van 1914 sur. Zie EUPHORBIA PULCHERRIMA.
  3. stuk vlees van de bovenbil van een koe vb: biefstuk hoef je maar kort te bakken
  4. •een lap rundsvlees, kalfsvlees of paardenvlees van de bovenbil.
  5. stuk of lap vlees gesneden uit de bovenbil, standaard van een rund soms ook van een paard; stuk van het spierstuk of de lende van een rund of ook van een paard
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met biefstuk:
biefstukkenbiefstukzwam

Deze woorden eindigen op biefstuk:
kalfsbiefstukkogelbiefstuklendenbiefstuk

Herkomst volgens etymologiebank.nl
biefstuk (lap vlees van de bovenbil)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `biefstuk` kennen.