staren

werkw.
Uitspraak:  [ˈstarə(n)]
Vervoegingen:  staarde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gestaard (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

strak naar één punt kijken en niet echt iets zien
Voorbeeld:  `voor je uit zitten staren`
je blindstaren op  (je zo sterk concentreren op één onderwerp dat andere aspecten te weinig aandacht krijgen) `Je moet je niet blindstaren op het salaris, maar ook nagaan of je het werk aantrekkelijk vindt.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanschouwen aanstaren bekijken gapen kijken onderscheiden ontwaren opmerken slapen turen zien

Spreekwoorden en zegswijzen
• zich blind staren op (=teveel naar één eigenschap kijken)
Naar de spreekwoorden

5 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik staarde, heb gestaard), strak voor zich uitkijken.
  2. er strak naar kijken zonder iets te zien vb: zij staarde naar de wolken
  3. •langdurig naar één punt kijken, soms zonder iets op te merken. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  4. 1) Aandachtig kijken 2) Aanschouwen 3) Aanstaren 4) Bekijken 5) Bekrachtigen 6) Gapen 7) Glazig kijken 8) Kijken 9) Naar een punt kijken 10) Onafgebroken naar één punt ...
  5. strak kijken Jaar van herkomst: 1276-1300 (CG Lut.A )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op staren:
aanstarennavelstaren

Herkomst volgens etymologiebank.nl
staren (turen)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `staren` kennen.