slapen

werkw.
Uitspraak:  [ˈslapə(n)]
Vervoegingen:  sliep (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geslapen (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) in slaap (2) zijn
Voorbeelden:  `diep slapen`,
`slecht slapen`
Antoniem:  waken
Synoniem:  maffen
slapend rijk worden  (rijk worden zonder er veel voor te doen)

2) je aandacht ergens niet bij hebben
Voorbeeld:  `Zit niet te slapen. Opletten.`
Synoniem:  suffen

3) (van ledematen) raar tintelen als er even te weinig bloed doorheen stroomt
Voorbeeld:  `Ik heb te lang met mijn benen over elkaar gezeten en nu slaapt mijn rechterbeen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
doezelen dromen keveren luimen maffen meuren naar bed gaan pitten prikken waken (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
• men moet zijn bed maken zoals men slapen wil. (=iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden.)
• ergens een nachtje over willen slapen (=er eerst over na willen denken)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je slapen krachtiger uitdrukken?
slapen als een baby; slapen als een blok; slapen als een das; slapen als een marmot; slapen als een os; slapen als een roos;

6 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [ongelijkvloeiend] (ik sliep, heb geslapen), in slaap zijn; gaan -, zich te bed -, ter ruste begeven; [spreekwoord] een gat in den ...
  2. in een toestand zijn dat je niets van je omgeving merkt vb: de baby ligt lekker te slapen hij slaapt als een roos [lekker diep]
  3. •in toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt. •meervoud tegenwoordige tijd van