de schoot

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [sxot]
Verbuigingen:  schoten (meerv.)

bovenkant van de bovenbenen van iemand die zit
Voorbeeld:  `bij iemand op schoot zitten`
in de schoot geworpen krijgen  ((iets) krijgen zonder er moeite voor te hoeven doen)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
baarmoeder belasting boezem bovenbenen cijns grend grendel loot moederschoot pand plantestekje scheut schort schuif slip spruit stek tong touw uitloper verschuifbare sluiting

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn hoofd in de schoot leggen (=het opgeven)
• in de schoot werpen (=zonder enige moeite geven)
• iets in de schoot geworpen krijgen (=iets verkrijgen zonder al te veel moeite er voor te doen)
• het hoofd in de schoot leggen (=opgeven en er in berusten)
• de handen in de schoot (=werkloos)
Naar de spreekwoorden

18 definities op Encyclo
  1. 1> touw of takel, soms ook staaldraad, waarmee de stand van (de onderkant van) een zeil geregeld wordt. [U>] Alleen zeilen met een gering oppervlak kennen een schoot die ...
  2. De lijn(en) aan het zeil, bevestigd aan de schoothoek of klaauw (oude benaming), waarmee de stand wordt geregeld. Een "knik-in-de-schoot" is de (groot)zeilstand tussen aa...
  3. plek waar je bovenbenen zijn als je zit vb: zij legde haar handen in haar schoot iets in de schoot geworpen krijgen [het krijgen, zonder dat je er iets voor hoeft te doen...
  4. gewicht, 1 schoot = 2 pond
  5. Schoten zijn de delen van een slot waarmee de deur daadwerkelijk gesloten kan worden. Een dagschoot is het onderdeel dat naar binnen gaat als de deurkruk naar beneden wor...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met schoot:
schootcomputerschootcomputersschootgegaanschoothoekschoothoekenschoothondschootlijnschootslijnschootsrichtingschootsveld

Deze woorden eindigen op schoot:
beschootga schootontschootschijfschootverschootgrootschootgrootzeilschootfokkeschootfokkenschoot

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. schoot (kledingstuk, deel van lichaam; lijn op een zeilschip)
  2. schoot (loot, steek, voortgang)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `schoot`.