het pand

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [pɑnt]
Verbuigingen:  pand|en (meerv.)

gebouw
Voorbeeld:  `bedrijfspand`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
belasting borg bouwwerk cautie cijns garantie gebouw huis jaspand loot onderpand perceel scheut schoot slip uitloper waarborg waarborging waarborgsom

17 definities op Encyclo
  1. laten varen voor de cijns, van een pand afzien, hem verlaten omdat hij meer kost dan hij opbrengen kan
  2. Aanduiding voor een gedeelte van een weg, kanaal of dijk dat bij een bepaalde instantie of persoon in beheer en-of onderhoud is. Bij rivieren en kanalen worden gedeelten ...
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: o. (-en), zijstuk (van een jas of rok); waarborg, onderpand; op - leenen, in of te - geven; een - lossen; [figuurlijk] het - der huweli...
  4. zie kanaalpand.
  5. Een door sluizen begrensd stuk vaarwater.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met pand:
pandapanda'spandapuntpanddepanddenpandeïsmepandemiepandemieënpandemoniumpandenpandjeshuispandjesjaspandoerpandoerdepandoerdenpandoerenpandoeringpandoeringenpandoertpandt
Toon alle woorden die beginnen met pand

Deze woorden eindigen op pand:
bedrijfspandgepandgrachtenpandkraakpandonderpandverpandstuwpand
Toon alle woorden die eindigen op pand

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. pand (onderpand, gebouw)
  2. pand (slip)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `pand` kennen.