de/het schort

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [sxɔrt]
Verbuigingen:  schort|en (meerv.)

kledingstuk dat je ter bescherming over je andere kleren draagt.
Voorbeelden:  `keukenschort`,
`een schort voor doen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
boezelaar lendendoek schortje sloof voorschoot werkschort

7 definities op Encyclo
  1. [Vergeten woorden] (bn.) kort, niet lang [= Engels short, ~ schorten, scheren, scharten ‘afsnijden’, schard]
  2. • [kleding] een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen bij huishoudelijke taken zoals het koken of schoonmaken
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. [bijvoorbeeld] en o), (-en), voorschoot -, schorteldoek der vrouwen, boezelaar. ~BAND, m. (-en). ~EKLEED, o. (-en). ~ELDOEK, m. (-en...
  4. kledingstuk dat je voorbindt om je kleren te beschermen vb: doe je een schort voor als je gaat koken?
  5. 1) Boezelaar 2) Eva 3) Evaatje 4) Huishoudelijk kledingstuk 5) Huishoudelijke kledij 6) Huishoudelijke kleding 7) Huishoudelijke kleren 8) Keukenjas 9) Keukenkledij 10) K...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met schort:
schort opSchortelwoensdagschortenschorten aanschortteschortten

Deze woorden eindigen op schort:
geschortopgeschort

Herkomst volgens etymologiebank.nl
schort (voorbinddoek)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `schort`.