de uitloper

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  ['œytlopər]
Verbuigingen:  uitloper|s (meerv.)

1) nieuw takje of blaadje
Voorbeeld:  `Die boom heeft al heel wat uitlopers.`

2) uitstekende bergrug aan de randen (van een gebergte)
Voorbeeld:  `een hotel in de uitlopers van de Alpen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
belasting cijns loot pand rank scheut schoot slip spruit uitspruitsel

8 definities op Encyclo
  1. jonge stengel met bladeren vb: de nieuwe struik heeft allemaal uitlopers Synoniemen: spruit scheut
  2. Een kruipende en bewortelende stengel waaruit nieuwe planten voortkomen 
  3. zie : stolon
  4. Groeiwijze waarbij een bovengronds kruipende stengel nieuwe planten vormt op de knopen. Alternatieven: uitlopers uitlopertjes uitloperachtig
  5. [Techniek] stengels die die wortelt op de knoppen, en op deze manier een nieuw plantje kan vormen
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met uitloper:
uitlopers

Herkomst volgens etymologiebank.nl
uitloper

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `uitloper`.