prognosticeren

werkw.
Uitspraak:  [prɔxnɔsti'zerə(n)]
Herkomst:  «Grieks
Vervoegingen:  prognosticeerde (verl.tijd )
Vervoegingen:  heeft geprognosticeerd (volt.deelw.)

voorspellen algemeen
Voorbeelden:  `Module 1: businessplannen en het prognosticeren van de financiële gevolgen`,
`een prognose stellen voor een ziekte`,
`De winst wordt op 3000 dollar geprognosticeerd.`
Synoniem:  schatten; ramen

© Kernerman Dictionaries.

Taaladvies
Wat is het correcte woord: prognotiseren, prognostiseren, pronostikeren of prognosticeren? Zie Prognotiseren / prognostiseren / pronostikeren / prognosticeren

2 definities op Encyclo
  • Let op: Spelling van 1858 Prognostiqueren, prognostiquer, Fr., voorzeggen, voorspellen, b.v. den afloop eener ziekte enz. Prognosticum, Lat., een voorteeken, eene voorbed...
  • voorspellen; door voorspelling ramen; door voorspelling schatten Ook in de vorm van het als adjectief gebruikte verleden deelwoord.
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    prognosticeren (voorspellen)