prognosticeren

werkw.
Uitspraak:  [prɔxnɔsti'zerə(n)]
Herkomst:  «Grieks
Vervoegingen:  prognosticeerde (verl.tijd )
Vervoegingen:  heeft geprognosticeerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

voorspellen algemeen
Voorbeelden:  `Module 1: businessplannen en het prognosticeren van de financiële gevolgen`,
`een prognose stellen voor een ziekte`,
`De winst wordt op 3000 dollar geprognosticeerd.`
Synoniem:  schatten; ramen

© Kernerman Dictionaries.

Taaladvies
Prognotiseren / prognostiseren / pronostikeren / prognosticeren: Wat is het correcte woord: prognotiseren, prognostiseren, pronostikeren of prognosticeren?

2 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling van 1858 Prognostiqueren, prognostiquer, Fr., voorzeggen, voorspellen, b.v. den afloop eener ziekte enz. Prognosticum, Lat., een voorteeken, eene voorbed...
  2. voorspellen; door voorspelling ramen; door voorspelling schatten Ook in de vorm van het als adjectief gebruikte verleden deelwoord.
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
prognosticeren (voorspellen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 80% van de Nederlanders en 77% van de Vlamingen het woord `prognosticeren`.