Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


37 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `pas`

  1. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past. (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen.)
  2. aan iets een mouw weten te passen (=een oplossing ergens voor weten)
  3. als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit.)
  4. als de vos de passie preekt boer pas op je ganzen (=een huichelaar is niet te vertrouwen)
  5. als een tang op een varken passen/sluiten (=niet bij elkaar passen)
  6. als pasen en Pinksteren op één dag vallen (=iets wat nooit zal gebeuren)
  7. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  8. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  9. daar valt wel een mouw aan te passen. (=daar is wel een oplossing voor te vinden.)
  10. dat gebeurt pas als de Paus een geus wordt (=dat gebeurt nooit)
  11. dat past als een vuist in een oog (=dat past helemaal niet)
  12. de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras. (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven.)
  13. de pas afsnijden (=net voor zijn, verhinderen)
  14. de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee. (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens.)
  15. een woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  16. een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  17. er is geen pot zo scheef, of er past wel een deksel op. (=ook voor een minder mooi meisje is er een man te vinden)
  18. geen pot zo scheef of er past een deksel op (=bij iedere man past wel een vrouw (en omgekeerd))
  19. hij kijkt er naar uit als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=hij kijkt ergens vol verwachting naar uit.)
  20. iemand de pas afsnijden. (=iemand verhinderen een bepaalde actie uit te voeren.)
  21. in het gareel lopen (ook: in de pas lopen) (=precies zo doen als de anderen)
  22. in iemands kraam te pas komen (=iets wat iemand nodig had)
  23. lelijke streken op zijn kompas hebben (=gemene en lelijke streken uithalen)
  24. met passen en met meten wordt de meeste tijd versleten. (=voorbereidingen zijn dikwijls het meest tijdrovend onderdeel van een taak.)
  25. op elk potje past een dekseltje. (=bij iedereen en alles past wel iemand of iets)
  26. op ieder potje past wel een dekseltje. (=voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner.)
  27. op je tellen passen. (=voorzichtig zijn.)
  28. op zijn tellen passen (=zeer goed opletten om niets fout te doen)
  29. pas op de plaats maken. (=geen voortgang maken. Geen groei of ontwikkeling doormaken.)
  30. pas uit de dop komen (=maar pas ergens aan deelnemen)
  31. te pas en te onpas. (=steeds opnieuw, of het nu zin heeft of niet.)
  32. te/van pas komen (=iets goed kunnen gebruiken)
  33. veel poespas hebben (=veel overdrijven en drukte maken)
  34. vijgen na pasen. (=iets doen wat te laat komt.)
  35. wie de pastoor niet eert, wie zijn absolutie riskeert (=om je ambitie te bereiken, moet je extra aardig zijn voor de hoge heren.)
  36. wie de schoen past trekke hem aan (=wie schuldig is mag zich aangesproken voelen)
  37. zo onschuldig als een pasgeboren kind (=zeer onschuldig)

44 betekenissen bevatten `pas`

  1. berouw komt na de zonde (=als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw)
  2. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe )
  3. geen pot zo scheef of er past een deksel op (=bij iedere man past wel een vrouw (en omgekeerd))
  4. op elk potje past een dekseltje. (=bij iedereen en alles past wel iemand of iets)
  5. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  6. na mij de zondvloed. (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  7. dat is als een vlag op een modderschuit (=dat is helemaal ongepast ; dat past niet bij elkaar)
  8. dat past als een vuist in een oog (=dat past helemaal niet)
  9. dat staat als een vlag op een modderschuit (=dat past helemaal niet)
  10. iets op een procrustusbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  11. zijn woorden kauwen (=eerst nadenken en dan pas spreken)
  12. de soep wordt nooit zo heet gegeten, als zij wordt opgediend. (=er worden meestal minder zware maatregelen toegepast dan was aangekondigd.)
  13. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  14. het klopt als een zwerende vinger (=het past goed; het is logisch; het is volkomen juist; er is niets tegen in te brengen. (Equivalent aan: het sluit als een bus.))
  15. het einde kroont het werk (=het werk is pas goed gedaan als het klaar is)
  16. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  17. dat wast al het water van de zee niet af. (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  18. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past. (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen.)
  19. pas uit de dop komen (=maar pas ergens aan deelnemen)
  20. als het getij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  21. als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  22. die staat ziet toe dat hij niet valle. (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  23. de sterke arm der wet (=met gepast geweld optredende overheidsorganisatie, bijvoorbeeld politie of justitie)
  24. met hart en ziel (=met plezier en passie)
  25. zonder strijd, geen overwinning. (=na grote inspanning wordt succes pas bereikt.)
  26. als een tang op een varken passen/sluiten (=niet bij elkaar passen)
  27. van de baan (=niet meer van toepassing)
  28. geen hout snijden (=niets bewijzen , niet van toepassing zijn)
  29. wie het laatst lacht, lacht het best (=pas aan het einde kan je zien we gewonnen heeft)
  30. men moet de dag niet prijzen voor het avond is. (=pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging)
  31. als het kalf verdronken is, dempt men de put. (=pas als het te laat is, neemt men maatregelen)
  32. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren. (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  33. iemand naar de ogen zien (=pas iets doen als de ander toestemming geeft)
  34. dominee brand je bekje niet (=pas op! Het eten of de drank is heet!)
  35. het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
  36. als het kind maar een naam heeft (=passend of niet, je moet het kunnen noemen (een naam geven))
  37. een steek houden (=relevant zijn, van toepassing zijn)
  38. als David zijn volk telde verloor hij de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
  39. op tijd en stond (=ten gepasten tijde, af en toe)
  40. in geen twee sloten tegelijk lopen (=voorzichtigi zijn en op zichzelf kunnen passen)
  41. je moet geen 'hei' roepen voordat je de brug over bent. (=vreugde over een goede afloop is pas toepasselijk als er niets meer verkeerd kan gaan.)
  42. we zullen ze eens een poepie laten ruiken. (=we zullen iets doen dat hen zal verbluffen (vooral toegepast in situaties waar sprake is van competitie).)
  43. het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen (=wie in weelde leeft moet oppassen om niet op het slechte pad te raken)
  44. de speelman zit op het dak (=ze zijn pas gehuwd, hebben nog geen zorgen)

Het dialectenwoordenboek kent 82 spreekwoorden met `pas`

  1. Leuvens: pasdapôraado (=pas dat paar oude schoenen daar)
  2. Liedekerks: E es deer ne pasfit gedroiëjd (=Hij is zeer sluw)
  3. Waanroods: zene Powese houve (=Zijn pasen houden)
  4. Veurns: ze joarlienksje leever'n (=zijn pasen houden)
  5. Tilburgs: dè paast nie meej Paose (=dat hoort niet met pasen)
  6. Tilburgs: meej de Paose zè-me ammòl in-t nuut (=met pasen hebben we allemaal nieuwe kleren aan)
  7. Oudenbosch: zoveul t-eer is ut Paose (=des te eerder is het pasen)
  8. Munsterbilzen - Minsters: da pasde him èn zene kroeëm (=dat kwam hem heel goed uit)
  9. Bilzers: Hübste ze létte vérve of autblétse (=Ben je met pasen ook naar de kliniek geweest)
  10. Liemers: Een ei 's gin ei, twee eiere 's 'n half ei, drie eiere 's pas 'n heel klein eitje (=Groot gebruiker van eieren alleen met pasen.)
  11. Haarsteegs: Hij komt mee zun aaier nao Paose (=Te laat met iets aankomen,hij komt met zijn eieren na pasen.)
  12. Genks: Poose, vrig og loat, hit de zoehmer oan ze goat. (=pasen, vroeg of laat, heeft de zomer aan ze gat)
  13. Sinttruins: veugt oech (=pas op)
  14. Marine jargon (veelal Maleis): Awas tjet baru (=pas op pas geverfd)
  15. Twents: pas good op oezelf (=pas goed op jezelf)
  16. Bilzers: das eis (=dat is pas)
  17. Leuvens: van den tèts komme (=van pas komen)
  18. Walshoutems: pas mar oep of ich zet oeg onder (=pas maar op of ik ......)
  19. Tilburgs: irst ut kiendje zien, dan pas wiege (=eerst zien, dan pas geloven)
  20. Zeeuws: dienkterom ai er nie anzit! (=pas op)
  21. Bilzers: Er es nog nie dreig aater zen aure (=hij komt pas kijken !)
  22. Lokers: ietsjes (=pas op, het is heet tegen peuter of kleuter))
  23. Munsterbilzen - Minsters: ne nokse (=dat is pas kunst !!!)
  24. Munsterbilzen - Minsters: de bestees pas aste ter ook bès ! (=een pad ontstaat pas door er over te lopen)
  25. Achterhoeks: Waar oe (=pas op, ga aan de kant)
  26. Eindhovens: ik kom uit Gestel, begin maor vast te bloeiu (=pas maar op, ik kom uit Gestel)
  27. Weerts: mesjiêne en hollendje paerd, mójje noeëts trouwe (=pas op als iets te snel gaat.....)
  28. Urkers: as je verzeupen sloon ik je dood (=pas op dat je niet verdrinkt)
  29. Bilzers: aste mét den (h)ond slûps kraajste ook zen vlaaj (=pas op met wie je verkeert)
  30. Westerkwartiers: dat kwam ien zien kroam te pas (=dat kwam hem goed van pas)
  31. Munsterbilzen - Minsters: das nog heil vieës (='t is pas gebeurd)
  32. Brakels: oet ter ou van (=pas er van op)
  33. Sallands: pas ter op! (=ik waarschuw je!)
  34. Volendams: as je verzûpe, vermoor ik je! (=pas op dat je niet verdrinkt)
  35. Iepers: e'nes ze schuppe gekeerd (=van iemand die pas overleden is)
  36. Kinrooi: Niks doon is pas good es te veul te doon höbs. (=Niets doen is pas goed wanneer je veel werk hebt.)
  37. Weerts: de deugd van e vêrke is pas nao zienen doeëd te mêrke (=na je dood word je pas erkend)
  38. Munsterbilzen - Minsters: nau ès goeje roeëd diër (=goed advies komt nu wel te pas)
  39. Antwerps: past oep want ge kregt een akketaat (=pas op of je krijgt een pak slaag)
  40. Munsterbilzen - Minsters: dae gojt zen eege raute én (=pas op voor een glazenwasser die ladderzat is)
  41. Westerkwartiers: wel 't lest lacht, lacht 't best (=wees pas blij wanneer je zeker van je winst bent)
  42. Munsterbilzen - Minsters: draaj kèr pe daog, daaj twei viërege wos ich al vergaete (=je bent pas oud als spijt de plaatst inneemt van je dromen)
  43. Sint-Niklaas: da kom goe fa pas (=dat kan ik goed gebruiken)
  44. Twents: Dom wean heendert nich ' t wördt pas slim a-j ' t zölf nich deur hebt (=Het is niet erg om dom te zijn, het wordt pas erg als je het zelf niet in de gaten hebt)
  45. Waaslands: kollek te pas (=flauw vallen)
  46. Westerkwartiers: dat is koor'n op zien meul'n (=dat komt hem precies van pas)
  47. Oudenbosch: eetiejut nog zo lang gemaokt? (=is hij pas zo laat weggegaan?)
  48. Veurns: nie op ze pas zien (=zich niet fit voelen)
  49. Harelbeeks: Dat eet oal twuppe gin brwu (=Dat kan nog van pas komen)
  50. Sint-Niklaas: gelegen kommen (=ergens welkom zijn, van pas komen, we hebben je juist nodig)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen